Singajo's world

Sebuku dus.

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on maandag, 3 november, 2008

Na drie dagen stoffige mijnputten trokken we naar Sebuku. Een eiland waar geen mens komt als hij er niet moet zijn. We zijn er vanuit Balikpapan naar toegevlogen met een vliegtuigje niet groter dan een cockpit. Knus, dat wel, maar ik had de avond voordien in onze hotelkamer naar een documentaire gekeken op National Geografic over vliegtuigrampen en ik kan niet ontkennen dat dit mijn gerust gemoed iets uit balans bracht. Zeker toen ik merkte dat piloot en copiloot constant aan het kibbelen waren, niet overeen kwamen in de keuze van het radarbeeld en tot overmaat van ramp ook niet heel goed wisten op welk pietluttig eiland ze nu juist moesten landen. Voorzeker de eerste keer dat het duo naar dit verscholen oord vloog.

En dan die landingsbaan, we kwamen in volle vaart aangevlogen maar er lag nergens iets dat op tarmac leek,  ik zag alleen maar modderig zand. Achteraf gezien bleek het een van mijn zachtste landingen ooit en de aanblik van het luchthavengebouw deed denken aan tijden die bij ons nooit hebben bestaan. We zijn tot aan het tuinhuisje getaxied en daar stond een oude man met gele gummie laarzen en een houten kruiwagen met bijna vierkant wiel om de bagage op te laden. In de voortuin van het tuinhuis stond een blanke man nonchalant een sigaar te roken, en het interieur deed eerder denken aan dat van een bruine kroeg dan aan een plaats waar vliegtuigen doorgaans landen. Daar stond ook Didi, de donkere mining manager die verdacht veel weg had van een Indo versie van Den Dikken uit Laurel en Hardy. Hij werd onze gids en het begon meteen goed toen we in de mijn office aankwamen na een korte rit door modderige plassen door een domein dat veel weg had van een legerbasis. “So you want to leave tomorrow?”, vroeg Din, de meest funky shipping en marketing manager die ik ooit in m’n leven heb gezien. Zonder het zelf te beseffen leek hij zo weggelopen uit een Pulp Fuction-achtige film. “Just call me Dean” zei hij, “James Dean”. Niet dat hij er op trok of zo, met zijn groot gebit vol grauwe tanden, met zijn lange zwarte pagekop en ondanks zijn seventies broek. Maar het werkte. Din was de eerste van wie ik de naam kon onthouden.

“Yes we leave tomorrow”, zei ik, “we have a flight at 1 pm.”  – “But there is no flight at 1 pm tomorrow and the flight at 9 pm is fully booked”  – “I see. Day after?” – “No, no. No planes in the weekend! Just stay! It’s fun here. A nice resort. Yes! Yes! Stay.”

En we bleven dus tot maandag . Didi bracht ons naar het Beach camp, een drassig park vol houten slaaphuizen, en een kantine waar je kunt ontbijten van 5 tot half 8. En dineren kan  van half zes tot kwart voor acht pie em. Het had wel iets, al die blauwe huizen langs modderige wegels met een vergezicht op de zee. De slagbomen waar we onder door moesten, de overvloed aan zwart bebobotte security mannen, de druilerige regen en in de verte het geluid van crunchende steenkool.      

Nog een klein detail: er was in het hele kamp geen druppel alcohol te krijgen en ik stond daar toch wel van versteld. Misschien niet vreemd omdat we ons in Moslimcontreien bevonden, maar ’t voelde toch raar, zonder aperitiefje na een harde werkdag.

Beach Camp

Nog eigenaardig voelde de kantinesfeer. Behalve de vriendelijke dienstertjes was er niemand die eruitzag alsof het leven een geschenk is. Allemaal staarden ze naar hun trouwens overheerlijke bord eten en aten ze stilzwijgend tot de laatste rijstkorrel hun sauserige bord leeg. En dan reden ze in hun  4X4 naar hun kampplaats, naar bed. Stille nachten, donkere nachten, slaapnachten  zonder enig vertier. Alhoewel. Er bleek na een dag research dan toch een gelagzaal aanwezig, neergepoot op het strand door ene Les uit Groot-Brittannië die al 10 jaar van het kampleven geniet. In bevoorrechte positie dan, poen scheppend waarmee hij al een restaurant voor zijn blonde tweelingdochters heeft gekocht op Gran Canaria. Hij denkt duidelijk aan zijn pensioen. Een ingenieur kan zich al eens iets meer permitteren dan een gewone werkmens, zo ook het bouwen van een strandbar op het eiland van krijgsgevangenschap. De pinten biedt hij gratis aan, maar zijn bar is dan ook nagenoeg leeg, enkel guests komen er over de vloer en alleen maar als hij er zelf zin in heeft.  En hij had er maar 1 avond zin in.

Het went trouwens wel, dode avonden in een onderkomen waar de lichten om 9 uur uit moeten, een barak waar altijd dezelfde twee mannen zitten zagen tegen elkaar, de ene een cola drinkend, de andere nippend van zijn thee en lurkend aan zijn dikke stinksigaar. Avond in avond uit zitten ze daar van acht tot negen, ze lijken op  die twee zageventen uit de slotscène van no country for old man. Fuckin’ boring.

Stockpile night view

Maar als studiereis was deze uitstap meer dan interessant. Ondanks het strontweer zonder schone blauwe luchten, het strontweer waar de koloniaal krankjorum van werd. Omdat een blauwe hemel zo veel mooier is dan een fletse grijze wolkenmassa. Hij kon zijn werk niet goed doen, vond hij. En ondertussen konden de gravers en truckers hun werk ook niet doen, de grond was te nat. En denk maar niet dat ze gezapig en blij lagen te luilakken in hun zetel. Immer en altijd paraat voor het eerste weersomstandig beterschap. Want no rides, no money. 

Advertenties
Tagged with: ,

Veel aarde en relatief weinig steenkool

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on maandag, 3 november, 2008

(Speciaal voor Blanche)

Open mijnpit in Separi.

Tagged with: ,

The Gem of Aqaba

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on dinsdag, 28 oktober, 2008

Hij stond ons op te wachten aan de poorten van de luchthaven in Balikpapan. Een donkere man regelrecht weggelopen uit een derderangs gangsterfilm. Gespierd bovenlijf, korte beentjes, pokdalige en grote kop, gouden ringen en lange, gemanicuurde vingernagels. Die verwijfde nagels, nog net niet vuurrood gelakt, zie je hier heel vaak bij mannen, als een soortement van statement; “kijk naar mijn propere en nette handen met lange ongeschonden nagels, ik verlaag me niet tot handenarbeid”, willen ze doorgaans zeggen. Outing van standing, zeg maar.

Deibby, heette de kerel met het zijn haar vol brillantine en geurend naar fruitige zeep. Deibby zou de volgende dagen onze zwijgzame personal driver zijn. En ons retour vervoeren van het hotel in Samarinda naar de mijnsite in Separi. Maar eerst was er  de rit van Balikpapan door de bergen, langs oerwouden en stoffige dorpen naar het mijnkantoor in Samarinda alwaar we onze voeten in vijf ton wegende safety shoes  moesten verpakken. Ze stopten ons daar ook een veiligheidshelm toe en een safety bril en een zwemvest. Geen tijd voor uitleg, weer die auto in met geblindeerde ramen en razendsnel naar de oevers van de  Mahakam River door de drukke stadsstraten, langs eetkramen en winkels vol kranen en bulldozers en stinkend naar rokende autobanden. Alles moest snel gaan. Alles ging razendsnel, hoe Deibby auto’s ontweek, mensen en dieren, brommertjes en putten in de weg, dat was puur vakmanschap. Zeg ik nu. Al waren de eerste uren bij hem in de auto een kokhalzende hel.

Een speedboot. Stel u daarbij vooral geen James Bond achtig geval voor, maar een kleurrijk houten exemplaar dat nog net aan elkaar hangt met voldoende vijzen en planken en met een antieke, nog net werkende motor. We zouden twee uur over de rivier varen, de meander die leidt naar de grootse zee. Ik hou van boottripjes langs houten dorpen op het water, langs mangroven en voorbij varende vissersboten, langs in het water spelende rivierkinderen, en ik weet nooit of ik medelijden moet hebben met de zichtbare armoede van die rivierbewoners of dat ik hen eerder moet benijden voor hun pure, haast prehistorische levensstijl. Ver weg van de Sarah Palin’s van deze wereld, ver weg van de Wall Street crash. We varen voorbij drijvende laadbakken met tonnen gitzwarte steenkool, steenkool die op weg is naar het grote schip in zee dat over twee dagen volgeladen naar India zal varen. Aan de laadbakken hangen kleine vaartuigen vastgeankerd. “Steenkooldieven”, zegt Jose nijdig, “de rivier zit er vol van.” Arme mensen die niets te verliezen hebben, alleen door te stelen kunnen ze overleven en als ze door de zeepolitie worden gevat: Tant pis, in de gevangenis krijgen ze tenminste eten, en drinken en een bed. Jose probeert ons bang te maken, zegt dat we niet veel tijd hebben en voor donker terug moeten zijn in Samarinda. Als de avond valt komen de echte boeven en gangsters immers op het water, gewapend en al, moorden en stelen ze. “U zouden ze  misschien gewoon meenemen, zo een gigantische roste vikingvrouw hebben ze hier beslist nog nooit gezien, maar de koloniaal, die gaat er onverbiddelijk aan. Pang.” Hij zei het bloedserieus. Ik was niet echt bang, maar vroeg me toch wel af of het een nieuwsitem zou zijn in het zevenuurjournaal op de vrt. Belgische koloniaal in Borneo vermoord, vikingvrouw vermist. Ik kreeg hartzeer toen ik aan m’n ouders dacht, aan m’n moeder die nog zo had gezegd: kind, wees toch voorzichtig op die boot.

“Maar allez”, haalde de koloniaal me uit m’n duistere gedachten, “Ziet ge ze al aanvallen met hun roeibootjes? Wij gaan veel te snel.” Daar had hij een geruststellend punt, we raceten voorbij al die puffende sloepen, ons vaartuig zag er dan wel antiek uit, hij  was bovenal een gierende raceboot.

Opeens lag hij pal voor onze neus. The Gem of Aqaba. Een stad in het water, het geluid van kranen en sirenes, van neerstortende kool, van koolvermorzelaars. Bakheet op zee, moordend heet op zee en zelfs hoeren op zee. Ze blijven me hier werkelijk o-ver-al achtervolgen. Aan het overweldigende schip hingen houten bootjes geankerd en in die bootjes zaten joelende Samarinda-meisjes die uren en uren onderweg waren geweest om de matrozen te entertainen. “Hello miss, how are you miss?”, kirden ze in hun beste Engels vanop hun gammele vaartuigen. Ze zaten op elkaar gepakt met in hun handen grote plastic zakken, u kent ze wel, van die geruite exemplaren die o zo handig zijn om naar de wasserette te gaan. Wij ankerden vast aan hun boot, klommen op hun zonnedak en van het dak op de ladder van het reuzenschip. Zevenenveertig treden klimmen en we stonden bakboord. Een Indo met ondernemerszin had er een laken vol seksfilms uitgestald die hij aan de man bracht met de 2 + 1 gratis truc. De sfeer was gemoedelijk, matrozen in onderbroek vers uit de douche sloften langzaam voorbij, ook de vrouwen kwamen aan boord met hun volgestouwde zakken. Seksspeeltjes in de vorm van potten en pannen en instant noodles. “Hoeren heb je toch ook in Amsterdam?”, vroeg Jose die mijn verbazing zag. “Ja, hoeren heb je overal’, zei ik, “maar dat ze zelfs temidden de zee voor recreatie zorgen, wist ik niet.” Zo gaat het dus op zee. Twee dagen  duurt het voor het laadruim volgeladen is. Twee dagen rust voor de matrozen terwijl de kraanmannen de boot volstouwen, terwijl de kapitein zoek is geraakt tussen de borsten van een weelderig Indo vrouw. Hij was nergens te vinden, die olijke kapitein, z’n eerste stuurman heeft ons een gesuikerd drankje aangeboden in de stuurkajuit terwijl de onderbroekenmatrozen op zoek gingen naar hun baas. Die kwam uiteindelijk alsnog en al schartend in zijn ongekamd haar aangewandeld, verwelkomde ons hartelijk op zijn jacht terwijl z’n ogen afdwaalden naar de voorbij hossende vertiermeisjes. Een zootje ongeregeld op die boot, maar onvergetelijk, dat wel. Toen ik aan de kapitein vroeg of ik ergens naar het toilet kon, verscheen er een lichte paniek op zij gelaat. Zijn schip bleek zo groot, dat hij zelfs niet wist waar een wc was, afgezien van het bemarmerde exemplaar in zijn private kajuit. We zijn samen op zoek gegaan door gangen met natte vloeren, langs kajuiten waaruit het geluid van porno naar buiten kwam, langs kamers die geurden naar kruidige noedels, voorbij meisjes gehuld in een natte handdoek. “You have to excuse me for the mess”, zei hij omdat hij zich er verplicht toe voelde, maar ik zag dat hij vond dat het goed ging, daar op z’n schip.   

We mochten gedurende een dik uur overal op en af klimmen, je kunt nogal afstanden afleggen op zo een boot. Amai. En als je niet oplet valt er een half ton steenkool op uw hoofd. Dat wit helmpje biedt dan geen soelaas vrees ik. De koloniaal heeft beelden geschoten als een zot, hij droop en lekte dat het een lieve lust was, ik kon hem met moeite bijhouden, liep teveel naar boven te kijken naar die vallende stenen, en ik dacht alleen maar waauw.

Zeven miljoen tweehonderd duizend US dollar. Zoveel is de totale steenkoollading van de Gem of Aqaba waard. De kapitein maalde er niet om dat zijn boot volhing met parasieten op zoek naar een kilo of vijf zwart geld. Iedereen vaart wel bij de industrie, zelfs de arme dieven. Het gruis is hen gegund.

Onze speedbootkapitein vloog bij valavond over de baren naar de stad terug. Ik dacht niet aan piraten of moordenaars. Ik dacht alleen maar dat steenkool grof geld is. En de kaas voor op de boterham van de beklagenswaardige bandieten.

Noot van de redactie

Posted in Uncategorized by singajo on zaterdag, 18 oktober, 2008

Het zal hier even stil zijn. De koloniaal en ik zelve vertrekken naar Borneo. Niet om u nadien te kunnen verblijden met verhaaltjes van toeristische inslag. Neen, we gaan een week lang rond hossen op steenkoolmijnen met een zwart en stoffig hoofd. Wij moeten hier nogal wat doen om ons eten en een vakantieticket naar ’t vaderland te verdienen.

We gaan vliegen met ronkende propellervliegtuigjes en varen met aftandse speedboten langs de oevers van de Mahakam, de weg langs waar de steenkool de mijn verlaat. Ik zal flashen op de vettige steenkool terwijl de koloniaal zwarte foto’s schiet, we gaan op bergen steenkool kruipen en spelen zoals boerenkinderen dat doen in het hooi. We gaan slapen in een beach kamp tussen de mijnwerkers en er vooral voor zorgen dat de klant blij is met het gespendeerde geld aan de fotograaf en his personal assistant. Ik loop al weken rond met een geëxciteerd hoofd naar aanleiding van deze expeditie met safety shoes en veiligheidshelm. Ik denk dat het spannender wordt dan een dag Bobbejaanland, ik zeg maar iets.

Als alles goed gaat komen we eind volgende week terug. Als er teveel tropische onweders zijn moeten we wellicht langer blijven. En uiteraard   kan ik ook niet garanderen dat we gespaard blijven van een uitstorting kolen op ons hoofd. Spannend.     

(Sebuku, 2007).

Tagged with: , ,