Singajo's world

Separi

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on donderdag, 30 oktober, 2008

Lange tijd, om helemaal eerlijk te zijn: tot voor heel kort, dacht ik dat steenkool diep in de grond zat. Dat men tunnels moest graven, schachten waar mannen met een pekzwart hoofd inkropen met houwelen en een lamp op hun behelmde kop. Een gevaarlijke onderneming, met zo nu en dan een onvoorziene instorting of een ontploffing en van tijd tot tijd een paar dozijn dode mijnwerkers, bedolven onder eigen vangst.  In China bijvoorbeeld is het nog steeds van dat. Maar de mijn in Separi, dat is een heel ander verhaal. Daar ligt de kool gewoon voor het rapen. Toch ongeveer. Je moet het je zo voorstellen: een gifgroen duizend hectaren groot broussegebied met  hier en daar een zandgrauw maanlandschap om U tegen te zeggen. Je spot er ook  met water volgelopen putten, zwemvijvers lijken ze wel, al is een duik niet aan te raden. Heel het gebied wordt bevolkt door moordende bulldozers, trucks waartegen je liefst niet botst, ontploffingsmachines en  zeldzame drilboren van formaat.

(In konvooi rijden ze over het domein, trucks met weggeschraapte aarde of trucks vol zwart goud)

Ik heb er geen ziel met een houweel ontmoet. Een mijnwerker is tegenwoordig een goede chauffeur, behendig met de graafmachines, in het afschrapen van de grondlaag, en foutloos in het drukken op de juiste besturingsknop. Maar hard werken is het zeker wel, in shifts van 12 uur in de doorgaans verlammende hitte. Met immer en altijd  een helm op hun kop. Zelfs in de auto, zelfs in de bulldozer, zelfs op de top van een berg. They take no risks. Op den duur wordt zo’n hoofddeksel een aangegroeid lichaamsdeel, vergeten ze hem zelfs af te nemen om te pissen, eten of slapen.

(Brandblusoefening)

Ik was aangenaam verrast door het grote aantal Indonesiërs die er een vrij hoge functie heeft. De bazen zijn dan wel Australiërs, ze geven heel veel uit handen, werken met lokale subcompagnieën. Nobel. Natuurlijk gaan zij uiteindelijk lopen met de rijkdom van een ander land, maar als zij niet superviseren gaat de handel slecht. Iedereen vaart er wel bij, economisch gezien dan, – over de invloed op steenkoolverbranding op het milieu zwijg ik liever -,  de straatarme village bewoner ziet de Aussies graag komen, want ze  bouwen scholen en moskeeën, bruggen en geasfalteerde wegen, ze leren de vissers fish farms opzetten, en ze zorgen eerst en vooral voor heel veel tewerkstelling. En niet alleen dat: de eilandbewoners blijven niet dom, vragen meer voor hun grond (al is het nog een futiel bedrag) en kunnen sjieke houten huizen bouwen, hebben voldoende geld om meerdere vrouwen te trouwen, nog steeds een bewijs van standing daar.

(Fish Farm)

Veel verlaten mijnen gezien, ondernemingen waar geen buitenlanders aan het hoofdroer stonden en ik kan u zeggen: een ellendig zicht. De Aussies hebben wel oog voor het weelderige groene landschap en als een pit steenkool uitgeput is gooien ze die weer vol met de afgeschraapte aarde, planten ze bomen en planten, leggen ze meren aan en amper anderhalf jaar later zie je niet meer dat men daar ooit zwart goud delfde.

Drie dagen hebben we rondgelopen op het immense domein, geflankeerd door security kerels die er nauwlettend op toezagen dat ook wij hem immer op ons hoofd hadden. De witte helmet.

 

Op naar Sebuku nu!

 

Advertenties
Tagged with: , ,

The Gem of Aqaba

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on dinsdag, 28 oktober, 2008

Hij stond ons op te wachten aan de poorten van de luchthaven in Balikpapan. Een donkere man regelrecht weggelopen uit een derderangs gangsterfilm. Gespierd bovenlijf, korte beentjes, pokdalige en grote kop, gouden ringen en lange, gemanicuurde vingernagels. Die verwijfde nagels, nog net niet vuurrood gelakt, zie je hier heel vaak bij mannen, als een soortement van statement; “kijk naar mijn propere en nette handen met lange ongeschonden nagels, ik verlaag me niet tot handenarbeid”, willen ze doorgaans zeggen. Outing van standing, zeg maar.

Deibby, heette de kerel met het zijn haar vol brillantine en geurend naar fruitige zeep. Deibby zou de volgende dagen onze zwijgzame personal driver zijn. En ons retour vervoeren van het hotel in Samarinda naar de mijnsite in Separi. Maar eerst was er  de rit van Balikpapan door de bergen, langs oerwouden en stoffige dorpen naar het mijnkantoor in Samarinda alwaar we onze voeten in vijf ton wegende safety shoes  moesten verpakken. Ze stopten ons daar ook een veiligheidshelm toe en een safety bril en een zwemvest. Geen tijd voor uitleg, weer die auto in met geblindeerde ramen en razendsnel naar de oevers van de  Mahakam River door de drukke stadsstraten, langs eetkramen en winkels vol kranen en bulldozers en stinkend naar rokende autobanden. Alles moest snel gaan. Alles ging razendsnel, hoe Deibby auto’s ontweek, mensen en dieren, brommertjes en putten in de weg, dat was puur vakmanschap. Zeg ik nu. Al waren de eerste uren bij hem in de auto een kokhalzende hel.

Een speedboot. Stel u daarbij vooral geen James Bond achtig geval voor, maar een kleurrijk houten exemplaar dat nog net aan elkaar hangt met voldoende vijzen en planken en met een antieke, nog net werkende motor. We zouden twee uur over de rivier varen, de meander die leidt naar de grootse zee. Ik hou van boottripjes langs houten dorpen op het water, langs mangroven en voorbij varende vissersboten, langs in het water spelende rivierkinderen, en ik weet nooit of ik medelijden moet hebben met de zichtbare armoede van die rivierbewoners of dat ik hen eerder moet benijden voor hun pure, haast prehistorische levensstijl. Ver weg van de Sarah Palin’s van deze wereld, ver weg van de Wall Street crash. We varen voorbij drijvende laadbakken met tonnen gitzwarte steenkool, steenkool die op weg is naar het grote schip in zee dat over twee dagen volgeladen naar India zal varen. Aan de laadbakken hangen kleine vaartuigen vastgeankerd. “Steenkooldieven”, zegt Jose nijdig, “de rivier zit er vol van.” Arme mensen die niets te verliezen hebben, alleen door te stelen kunnen ze overleven en als ze door de zeepolitie worden gevat: Tant pis, in de gevangenis krijgen ze tenminste eten, en drinken en een bed. Jose probeert ons bang te maken, zegt dat we niet veel tijd hebben en voor donker terug moeten zijn in Samarinda. Als de avond valt komen de echte boeven en gangsters immers op het water, gewapend en al, moorden en stelen ze. “U zouden ze  misschien gewoon meenemen, zo een gigantische roste vikingvrouw hebben ze hier beslist nog nooit gezien, maar de koloniaal, die gaat er onverbiddelijk aan. Pang.” Hij zei het bloedserieus. Ik was niet echt bang, maar vroeg me toch wel af of het een nieuwsitem zou zijn in het zevenuurjournaal op de vrt. Belgische koloniaal in Borneo vermoord, vikingvrouw vermist. Ik kreeg hartzeer toen ik aan m’n ouders dacht, aan m’n moeder die nog zo had gezegd: kind, wees toch voorzichtig op die boot.

“Maar allez”, haalde de koloniaal me uit m’n duistere gedachten, “Ziet ge ze al aanvallen met hun roeibootjes? Wij gaan veel te snel.” Daar had hij een geruststellend punt, we raceten voorbij al die puffende sloepen, ons vaartuig zag er dan wel antiek uit, hij  was bovenal een gierende raceboot.

Opeens lag hij pal voor onze neus. The Gem of Aqaba. Een stad in het water, het geluid van kranen en sirenes, van neerstortende kool, van koolvermorzelaars. Bakheet op zee, moordend heet op zee en zelfs hoeren op zee. Ze blijven me hier werkelijk o-ver-al achtervolgen. Aan het overweldigende schip hingen houten bootjes geankerd en in die bootjes zaten joelende Samarinda-meisjes die uren en uren onderweg waren geweest om de matrozen te entertainen. “Hello miss, how are you miss?”, kirden ze in hun beste Engels vanop hun gammele vaartuigen. Ze zaten op elkaar gepakt met in hun handen grote plastic zakken, u kent ze wel, van die geruite exemplaren die o zo handig zijn om naar de wasserette te gaan. Wij ankerden vast aan hun boot, klommen op hun zonnedak en van het dak op de ladder van het reuzenschip. Zevenenveertig treden klimmen en we stonden bakboord. Een Indo met ondernemerszin had er een laken vol seksfilms uitgestald die hij aan de man bracht met de 2 + 1 gratis truc. De sfeer was gemoedelijk, matrozen in onderbroek vers uit de douche sloften langzaam voorbij, ook de vrouwen kwamen aan boord met hun volgestouwde zakken. Seksspeeltjes in de vorm van potten en pannen en instant noodles. “Hoeren heb je toch ook in Amsterdam?”, vroeg Jose die mijn verbazing zag. “Ja, hoeren heb je overal’, zei ik, “maar dat ze zelfs temidden de zee voor recreatie zorgen, wist ik niet.” Zo gaat het dus op zee. Twee dagen  duurt het voor het laadruim volgeladen is. Twee dagen rust voor de matrozen terwijl de kraanmannen de boot volstouwen, terwijl de kapitein zoek is geraakt tussen de borsten van een weelderig Indo vrouw. Hij was nergens te vinden, die olijke kapitein, z’n eerste stuurman heeft ons een gesuikerd drankje aangeboden in de stuurkajuit terwijl de onderbroekenmatrozen op zoek gingen naar hun baas. Die kwam uiteindelijk alsnog en al schartend in zijn ongekamd haar aangewandeld, verwelkomde ons hartelijk op zijn jacht terwijl z’n ogen afdwaalden naar de voorbij hossende vertiermeisjes. Een zootje ongeregeld op die boot, maar onvergetelijk, dat wel. Toen ik aan de kapitein vroeg of ik ergens naar het toilet kon, verscheen er een lichte paniek op zij gelaat. Zijn schip bleek zo groot, dat hij zelfs niet wist waar een wc was, afgezien van het bemarmerde exemplaar in zijn private kajuit. We zijn samen op zoek gegaan door gangen met natte vloeren, langs kajuiten waaruit het geluid van porno naar buiten kwam, langs kamers die geurden naar kruidige noedels, voorbij meisjes gehuld in een natte handdoek. “You have to excuse me for the mess”, zei hij omdat hij zich er verplicht toe voelde, maar ik zag dat hij vond dat het goed ging, daar op z’n schip.   

We mochten gedurende een dik uur overal op en af klimmen, je kunt nogal afstanden afleggen op zo een boot. Amai. En als je niet oplet valt er een half ton steenkool op uw hoofd. Dat wit helmpje biedt dan geen soelaas vrees ik. De koloniaal heeft beelden geschoten als een zot, hij droop en lekte dat het een lieve lust was, ik kon hem met moeite bijhouden, liep teveel naar boven te kijken naar die vallende stenen, en ik dacht alleen maar waauw.

Zeven miljoen tweehonderd duizend US dollar. Zoveel is de totale steenkoollading van de Gem of Aqaba waard. De kapitein maalde er niet om dat zijn boot volhing met parasieten op zoek naar een kilo of vijf zwart geld. Iedereen vaart wel bij de industrie, zelfs de arme dieven. Het gruis is hen gegund.

Onze speedbootkapitein vloog bij valavond over de baren naar de stad terug. Ik dacht niet aan piraten of moordenaars. Ik dacht alleen maar dat steenkool grof geld is. En de kaas voor op de boterham van de beklagenswaardige bandieten.

Noot van de redactie

Posted in Uncategorized by singajo on zaterdag, 18 oktober, 2008

Het zal hier even stil zijn. De koloniaal en ik zelve vertrekken naar Borneo. Niet om u nadien te kunnen verblijden met verhaaltjes van toeristische inslag. Neen, we gaan een week lang rond hossen op steenkoolmijnen met een zwart en stoffig hoofd. Wij moeten hier nogal wat doen om ons eten en een vakantieticket naar ’t vaderland te verdienen.

We gaan vliegen met ronkende propellervliegtuigjes en varen met aftandse speedboten langs de oevers van de Mahakam, de weg langs waar de steenkool de mijn verlaat. Ik zal flashen op de vettige steenkool terwijl de koloniaal zwarte foto’s schiet, we gaan op bergen steenkool kruipen en spelen zoals boerenkinderen dat doen in het hooi. We gaan slapen in een beach kamp tussen de mijnwerkers en er vooral voor zorgen dat de klant blij is met het gespendeerde geld aan de fotograaf en his personal assistant. Ik loop al weken rond met een geëxciteerd hoofd naar aanleiding van deze expeditie met safety shoes en veiligheidshelm. Ik denk dat het spannender wordt dan een dag Bobbejaanland, ik zeg maar iets.

Als alles goed gaat komen we eind volgende week terug. Als er teveel tropische onweders zijn moeten we wellicht langer blijven. En uiteraard   kan ik ook niet garanderen dat we gespaard blijven van een uitstorting kolen op ons hoofd. Spannend.     

(Sebuku, 2007).

Tagged with: , ,