Singajo's world

muara enim, sumatra

Posted in Places where nobody goes, sumatra by singajo on dinsdag, 1 maart, 2011

Advertenties

singkep memories

Posted in filmpjes, Places where nobody goes, Singkep & Lingga Island by singajo on zondag, 23 januari, 2011

naar slecht toeval

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on dinsdag, 22 september, 2009

fuck

ge gaat piesen in het wc
van een bar
die ge hebt uitgekozen
omwille van het terras in de lommerte
met uitzicht op de zaterdagavond marktkramers
en de muziek is de ruis
van de heerlijke buitenstad

ge had daar van genoten
van die zachte drukte
van die pint in de lommerte

en dan komt ge van het wc
en ziet ge de pooltafel
en al die kale koppen
van ranzige bleekhoofden

starend naar hun keu
of naar hooghangend bewegend beeld
of naar …

en dan sta je weer stil
bij die kortgeshorte meisjes
de frisse jonge diensters
en ge vraagt u af of ge
naar slecht toeval
alweer
in een hoerenbar zijt beland

zeker na die sticker

Sebuku dus.

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on maandag, 3 november, 2008

Na drie dagen stoffige mijnputten trokken we naar Sebuku. Een eiland waar geen mens komt als hij er niet moet zijn. We zijn er vanuit Balikpapan naar toegevlogen met een vliegtuigje niet groter dan een cockpit. Knus, dat wel, maar ik had de avond voordien in onze hotelkamer naar een documentaire gekeken op National Geografic over vliegtuigrampen en ik kan niet ontkennen dat dit mijn gerust gemoed iets uit balans bracht. Zeker toen ik merkte dat piloot en copiloot constant aan het kibbelen waren, niet overeen kwamen in de keuze van het radarbeeld en tot overmaat van ramp ook niet heel goed wisten op welk pietluttig eiland ze nu juist moesten landen. Voorzeker de eerste keer dat het duo naar dit verscholen oord vloog.

En dan die landingsbaan, we kwamen in volle vaart aangevlogen maar er lag nergens iets dat op tarmac leek,  ik zag alleen maar modderig zand. Achteraf gezien bleek het een van mijn zachtste landingen ooit en de aanblik van het luchthavengebouw deed denken aan tijden die bij ons nooit hebben bestaan. We zijn tot aan het tuinhuisje getaxied en daar stond een oude man met gele gummie laarzen en een houten kruiwagen met bijna vierkant wiel om de bagage op te laden. In de voortuin van het tuinhuis stond een blanke man nonchalant een sigaar te roken, en het interieur deed eerder denken aan dat van een bruine kroeg dan aan een plaats waar vliegtuigen doorgaans landen. Daar stond ook Didi, de donkere mining manager die verdacht veel weg had van een Indo versie van Den Dikken uit Laurel en Hardy. Hij werd onze gids en het begon meteen goed toen we in de mijn office aankwamen na een korte rit door modderige plassen door een domein dat veel weg had van een legerbasis. “So you want to leave tomorrow?”, vroeg Din, de meest funky shipping en marketing manager die ik ooit in m’n leven heb gezien. Zonder het zelf te beseffen leek hij zo weggelopen uit een Pulp Fuction-achtige film. “Just call me Dean” zei hij, “James Dean”. Niet dat hij er op trok of zo, met zijn groot gebit vol grauwe tanden, met zijn lange zwarte pagekop en ondanks zijn seventies broek. Maar het werkte. Din was de eerste van wie ik de naam kon onthouden.

“Yes we leave tomorrow”, zei ik, “we have a flight at 1 pm.”  – “But there is no flight at 1 pm tomorrow and the flight at 9 pm is fully booked”  – “I see. Day after?” – “No, no. No planes in the weekend! Just stay! It’s fun here. A nice resort. Yes! Yes! Stay.”

En we bleven dus tot maandag . Didi bracht ons naar het Beach camp, een drassig park vol houten slaaphuizen, en een kantine waar je kunt ontbijten van 5 tot half 8. En dineren kan  van half zes tot kwart voor acht pie em. Het had wel iets, al die blauwe huizen langs modderige wegels met een vergezicht op de zee. De slagbomen waar we onder door moesten, de overvloed aan zwart bebobotte security mannen, de druilerige regen en in de verte het geluid van crunchende steenkool.      

Nog een klein detail: er was in het hele kamp geen druppel alcohol te krijgen en ik stond daar toch wel van versteld. Misschien niet vreemd omdat we ons in Moslimcontreien bevonden, maar ’t voelde toch raar, zonder aperitiefje na een harde werkdag.

Beach Camp

Nog eigenaardig voelde de kantinesfeer. Behalve de vriendelijke dienstertjes was er niemand die eruitzag alsof het leven een geschenk is. Allemaal staarden ze naar hun trouwens overheerlijke bord eten en aten ze stilzwijgend tot de laatste rijstkorrel hun sauserige bord leeg. En dan reden ze in hun  4X4 naar hun kampplaats, naar bed. Stille nachten, donkere nachten, slaapnachten  zonder enig vertier. Alhoewel. Er bleek na een dag research dan toch een gelagzaal aanwezig, neergepoot op het strand door ene Les uit Groot-Brittannië die al 10 jaar van het kampleven geniet. In bevoorrechte positie dan, poen scheppend waarmee hij al een restaurant voor zijn blonde tweelingdochters heeft gekocht op Gran Canaria. Hij denkt duidelijk aan zijn pensioen. Een ingenieur kan zich al eens iets meer permitteren dan een gewone werkmens, zo ook het bouwen van een strandbar op het eiland van krijgsgevangenschap. De pinten biedt hij gratis aan, maar zijn bar is dan ook nagenoeg leeg, enkel guests komen er over de vloer en alleen maar als hij er zelf zin in heeft.  En hij had er maar 1 avond zin in.

Het went trouwens wel, dode avonden in een onderkomen waar de lichten om 9 uur uit moeten, een barak waar altijd dezelfde twee mannen zitten zagen tegen elkaar, de ene een cola drinkend, de andere nippend van zijn thee en lurkend aan zijn dikke stinksigaar. Avond in avond uit zitten ze daar van acht tot negen, ze lijken op  die twee zageventen uit de slotscène van no country for old man. Fuckin’ boring.

Stockpile night view

Maar als studiereis was deze uitstap meer dan interessant. Ondanks het strontweer zonder schone blauwe luchten, het strontweer waar de koloniaal krankjorum van werd. Omdat een blauwe hemel zo veel mooier is dan een fletse grijze wolkenmassa. Hij kon zijn werk niet goed doen, vond hij. En ondertussen konden de gravers en truckers hun werk ook niet doen, de grond was te nat. En denk maar niet dat ze gezapig en blij lagen te luilakken in hun zetel. Immer en altijd paraat voor het eerste weersomstandig beterschap. Want no rides, no money. 

Tagged with: ,

Veel aarde en relatief weinig steenkool

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on maandag, 3 november, 2008

(Speciaal voor Blanche)

Open mijnpit in Separi.

Tagged with: ,

Separi

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on donderdag, 30 oktober, 2008

Lange tijd, om helemaal eerlijk te zijn: tot voor heel kort, dacht ik dat steenkool diep in de grond zat. Dat men tunnels moest graven, schachten waar mannen met een pekzwart hoofd inkropen met houwelen en een lamp op hun behelmde kop. Een gevaarlijke onderneming, met zo nu en dan een onvoorziene instorting of een ontploffing en van tijd tot tijd een paar dozijn dode mijnwerkers, bedolven onder eigen vangst.  In China bijvoorbeeld is het nog steeds van dat. Maar de mijn in Separi, dat is een heel ander verhaal. Daar ligt de kool gewoon voor het rapen. Toch ongeveer. Je moet het je zo voorstellen: een gifgroen duizend hectaren groot broussegebied met  hier en daar een zandgrauw maanlandschap om U tegen te zeggen. Je spot er ook  met water volgelopen putten, zwemvijvers lijken ze wel, al is een duik niet aan te raden. Heel het gebied wordt bevolkt door moordende bulldozers, trucks waartegen je liefst niet botst, ontploffingsmachines en  zeldzame drilboren van formaat.

(In konvooi rijden ze over het domein, trucks met weggeschraapte aarde of trucks vol zwart goud)

Ik heb er geen ziel met een houweel ontmoet. Een mijnwerker is tegenwoordig een goede chauffeur, behendig met de graafmachines, in het afschrapen van de grondlaag, en foutloos in het drukken op de juiste besturingsknop. Maar hard werken is het zeker wel, in shifts van 12 uur in de doorgaans verlammende hitte. Met immer en altijd  een helm op hun kop. Zelfs in de auto, zelfs in de bulldozer, zelfs op de top van een berg. They take no risks. Op den duur wordt zo’n hoofddeksel een aangegroeid lichaamsdeel, vergeten ze hem zelfs af te nemen om te pissen, eten of slapen.

(Brandblusoefening)

Ik was aangenaam verrast door het grote aantal Indonesiërs die er een vrij hoge functie heeft. De bazen zijn dan wel Australiërs, ze geven heel veel uit handen, werken met lokale subcompagnieën. Nobel. Natuurlijk gaan zij uiteindelijk lopen met de rijkdom van een ander land, maar als zij niet superviseren gaat de handel slecht. Iedereen vaart er wel bij, economisch gezien dan, – over de invloed op steenkoolverbranding op het milieu zwijg ik liever -,  de straatarme village bewoner ziet de Aussies graag komen, want ze  bouwen scholen en moskeeën, bruggen en geasfalteerde wegen, ze leren de vissers fish farms opzetten, en ze zorgen eerst en vooral voor heel veel tewerkstelling. En niet alleen dat: de eilandbewoners blijven niet dom, vragen meer voor hun grond (al is het nog een futiel bedrag) en kunnen sjieke houten huizen bouwen, hebben voldoende geld om meerdere vrouwen te trouwen, nog steeds een bewijs van standing daar.

(Fish Farm)

Veel verlaten mijnen gezien, ondernemingen waar geen buitenlanders aan het hoofdroer stonden en ik kan u zeggen: een ellendig zicht. De Aussies hebben wel oog voor het weelderige groene landschap en als een pit steenkool uitgeput is gooien ze die weer vol met de afgeschraapte aarde, planten ze bomen en planten, leggen ze meren aan en amper anderhalf jaar later zie je niet meer dat men daar ooit zwart goud delfde.

Drie dagen hebben we rondgelopen op het immense domein, geflankeerd door security kerels die er nauwlettend op toezagen dat ook wij hem immer op ons hoofd hadden. De witte helmet.

 

Op naar Sebuku nu!

 

Tagged with: , ,

The Gem of Aqaba

Posted in Places where nobody goes, Uncategorized by singajo on dinsdag, 28 oktober, 2008

Hij stond ons op te wachten aan de poorten van de luchthaven in Balikpapan. Een donkere man regelrecht weggelopen uit een derderangs gangsterfilm. Gespierd bovenlijf, korte beentjes, pokdalige en grote kop, gouden ringen en lange, gemanicuurde vingernagels. Die verwijfde nagels, nog net niet vuurrood gelakt, zie je hier heel vaak bij mannen, als een soortement van statement; “kijk naar mijn propere en nette handen met lange ongeschonden nagels, ik verlaag me niet tot handenarbeid”, willen ze doorgaans zeggen. Outing van standing, zeg maar.

Deibby, heette de kerel met het zijn haar vol brillantine en geurend naar fruitige zeep. Deibby zou de volgende dagen onze zwijgzame personal driver zijn. En ons retour vervoeren van het hotel in Samarinda naar de mijnsite in Separi. Maar eerst was er  de rit van Balikpapan door de bergen, langs oerwouden en stoffige dorpen naar het mijnkantoor in Samarinda alwaar we onze voeten in vijf ton wegende safety shoes  moesten verpakken. Ze stopten ons daar ook een veiligheidshelm toe en een safety bril en een zwemvest. Geen tijd voor uitleg, weer die auto in met geblindeerde ramen en razendsnel naar de oevers van de  Mahakam River door de drukke stadsstraten, langs eetkramen en winkels vol kranen en bulldozers en stinkend naar rokende autobanden. Alles moest snel gaan. Alles ging razendsnel, hoe Deibby auto’s ontweek, mensen en dieren, brommertjes en putten in de weg, dat was puur vakmanschap. Zeg ik nu. Al waren de eerste uren bij hem in de auto een kokhalzende hel.

Een speedboot. Stel u daarbij vooral geen James Bond achtig geval voor, maar een kleurrijk houten exemplaar dat nog net aan elkaar hangt met voldoende vijzen en planken en met een antieke, nog net werkende motor. We zouden twee uur over de rivier varen, de meander die leidt naar de grootse zee. Ik hou van boottripjes langs houten dorpen op het water, langs mangroven en voorbij varende vissersboten, langs in het water spelende rivierkinderen, en ik weet nooit of ik medelijden moet hebben met de zichtbare armoede van die rivierbewoners of dat ik hen eerder moet benijden voor hun pure, haast prehistorische levensstijl. Ver weg van de Sarah Palin’s van deze wereld, ver weg van de Wall Street crash. We varen voorbij drijvende laadbakken met tonnen gitzwarte steenkool, steenkool die op weg is naar het grote schip in zee dat over twee dagen volgeladen naar India zal varen. Aan de laadbakken hangen kleine vaartuigen vastgeankerd. “Steenkooldieven”, zegt Jose nijdig, “de rivier zit er vol van.” Arme mensen die niets te verliezen hebben, alleen door te stelen kunnen ze overleven en als ze door de zeepolitie worden gevat: Tant pis, in de gevangenis krijgen ze tenminste eten, en drinken en een bed. Jose probeert ons bang te maken, zegt dat we niet veel tijd hebben en voor donker terug moeten zijn in Samarinda. Als de avond valt komen de echte boeven en gangsters immers op het water, gewapend en al, moorden en stelen ze. “U zouden ze  misschien gewoon meenemen, zo een gigantische roste vikingvrouw hebben ze hier beslist nog nooit gezien, maar de koloniaal, die gaat er onverbiddelijk aan. Pang.” Hij zei het bloedserieus. Ik was niet echt bang, maar vroeg me toch wel af of het een nieuwsitem zou zijn in het zevenuurjournaal op de vrt. Belgische koloniaal in Borneo vermoord, vikingvrouw vermist. Ik kreeg hartzeer toen ik aan m’n ouders dacht, aan m’n moeder die nog zo had gezegd: kind, wees toch voorzichtig op die boot.

“Maar allez”, haalde de koloniaal me uit m’n duistere gedachten, “Ziet ge ze al aanvallen met hun roeibootjes? Wij gaan veel te snel.” Daar had hij een geruststellend punt, we raceten voorbij al die puffende sloepen, ons vaartuig zag er dan wel antiek uit, hij  was bovenal een gierende raceboot.

Opeens lag hij pal voor onze neus. The Gem of Aqaba. Een stad in het water, het geluid van kranen en sirenes, van neerstortende kool, van koolvermorzelaars. Bakheet op zee, moordend heet op zee en zelfs hoeren op zee. Ze blijven me hier werkelijk o-ver-al achtervolgen. Aan het overweldigende schip hingen houten bootjes geankerd en in die bootjes zaten joelende Samarinda-meisjes die uren en uren onderweg waren geweest om de matrozen te entertainen. “Hello miss, how are you miss?”, kirden ze in hun beste Engels vanop hun gammele vaartuigen. Ze zaten op elkaar gepakt met in hun handen grote plastic zakken, u kent ze wel, van die geruite exemplaren die o zo handig zijn om naar de wasserette te gaan. Wij ankerden vast aan hun boot, klommen op hun zonnedak en van het dak op de ladder van het reuzenschip. Zevenenveertig treden klimmen en we stonden bakboord. Een Indo met ondernemerszin had er een laken vol seksfilms uitgestald die hij aan de man bracht met de 2 + 1 gratis truc. De sfeer was gemoedelijk, matrozen in onderbroek vers uit de douche sloften langzaam voorbij, ook de vrouwen kwamen aan boord met hun volgestouwde zakken. Seksspeeltjes in de vorm van potten en pannen en instant noodles. “Hoeren heb je toch ook in Amsterdam?”, vroeg Jose die mijn verbazing zag. “Ja, hoeren heb je overal’, zei ik, “maar dat ze zelfs temidden de zee voor recreatie zorgen, wist ik niet.” Zo gaat het dus op zee. Twee dagen  duurt het voor het laadruim volgeladen is. Twee dagen rust voor de matrozen terwijl de kraanmannen de boot volstouwen, terwijl de kapitein zoek is geraakt tussen de borsten van een weelderig Indo vrouw. Hij was nergens te vinden, die olijke kapitein, z’n eerste stuurman heeft ons een gesuikerd drankje aangeboden in de stuurkajuit terwijl de onderbroekenmatrozen op zoek gingen naar hun baas. Die kwam uiteindelijk alsnog en al schartend in zijn ongekamd haar aangewandeld, verwelkomde ons hartelijk op zijn jacht terwijl z’n ogen afdwaalden naar de voorbij hossende vertiermeisjes. Een zootje ongeregeld op die boot, maar onvergetelijk, dat wel. Toen ik aan de kapitein vroeg of ik ergens naar het toilet kon, verscheen er een lichte paniek op zij gelaat. Zijn schip bleek zo groot, dat hij zelfs niet wist waar een wc was, afgezien van het bemarmerde exemplaar in zijn private kajuit. We zijn samen op zoek gegaan door gangen met natte vloeren, langs kajuiten waaruit het geluid van porno naar buiten kwam, langs kamers die geurden naar kruidige noedels, voorbij meisjes gehuld in een natte handdoek. “You have to excuse me for the mess”, zei hij omdat hij zich er verplicht toe voelde, maar ik zag dat hij vond dat het goed ging, daar op z’n schip.   

We mochten gedurende een dik uur overal op en af klimmen, je kunt nogal afstanden afleggen op zo een boot. Amai. En als je niet oplet valt er een half ton steenkool op uw hoofd. Dat wit helmpje biedt dan geen soelaas vrees ik. De koloniaal heeft beelden geschoten als een zot, hij droop en lekte dat het een lieve lust was, ik kon hem met moeite bijhouden, liep teveel naar boven te kijken naar die vallende stenen, en ik dacht alleen maar waauw.

Zeven miljoen tweehonderd duizend US dollar. Zoveel is de totale steenkoollading van de Gem of Aqaba waard. De kapitein maalde er niet om dat zijn boot volhing met parasieten op zoek naar een kilo of vijf zwart geld. Iedereen vaart wel bij de industrie, zelfs de arme dieven. Het gruis is hen gegund.

Onze speedbootkapitein vloog bij valavond over de baren naar de stad terug. Ik dacht niet aan piraten of moordenaars. Ik dacht alleen maar dat steenkool grof geld is. En de kaas voor op de boterham van de beklagenswaardige bandieten.

Een raar zicht

Posted in Places where nobody goes by singajo on donderdag, 17 juli, 2008

Naast de pier stond er zo een mobiele wc cabine in fel blauw. En die cabine was op slot. Er speelden enkele kinderen met een plakwaaier op het smalle strand en op de pier stond een douanehok. De zeestrook was zo’n kilometer breed en aan de overkant zag je een heel bos fabrieken met hoge torens waar vuur uit kwam. De overkant was Maleisië, ik stond in Singapore en het was zondag.

Enkele mannen gooiden van op de pier hun vislijnen in het water, een oude man verkocht gekoelde drankjes die je zelf uit een bak vol ijs kon graaien terwijl hij z’n hand onder je neus duwde om de centen te incasseren. Hij stond te midden van de doodlopende straat aan het einde van het eiland. Er kwam nu en dan een auto aangereden, mensen stapten uit, keken verveeld naar de overkant en reden weer weg. Er kwam een politieagent uit het douanehok en hij liep naar de blauwe wc cabine, hij stak zijn sleutel in het slot, opende de deur en verdween. En dan die lijnbus die stopte, de deuren zwaaiden open maar er stapte niemand af. Er stapte evenmin iemand op. Er gebeurde niets. De bus bleef staan.

Ik zat op een muurtje naar de zee te turen, te denken aan de afgrijselijke appartementblokken die we net waren voorbij gereden. Ponggol heeft absoluut niet de allures van een vakantieparadijs. Ponggol lijkt het zielige einde van de wereld, met honderden kille betonnen  woonblokken. En veel lege grasvelden ook. Door die desolate grasvelden rijdt de futuristische skytrain, hij stopt aan de stations die neergeplant zijn in het niets. Nu nog in het niets, over enkele jaren zijn die velden ook straten. Straten vol met nog meer van die griezelige woonblokken. De skytrain rijdt in tussentijd oefenrondjes in wat ooit de grootste slaapstad van het eiland wordt.

De flik had ondertussen gedaan met zijn toilet, de cabine bewoog een beetje toen hij naar buitenkwam. “Zou hij ook in zo’n blok wonen?”, vroeg ik me af terwijl ik naar hem staarde. De manier waarop hij het toilethok weer afsloot was nogal opvallend en met veel lawaai. Alsof hij iedereen wilde laten zien dat hij  status had. Trots op zijn wc sleutel. “Als jij moet pissen, moet je in de struiken gaan”, leek hij hooghartig te denken toen hij zag dat ik naar hem keek. Inbeelding misschien, maar ’t was wel een raar zicht.

Tagged with:

Places where nobody goes – Kasi, at the banks of Nam Xong river, Laos

Posted in Places where nobody goes by singajo on vrijdag, 14 maart, 2008

 noi.jpg

Stemmen. Ze praten, roepen naar ons, maar we verstaan hen niet. We zien ze ook op ons afkomen, twee schijnende zaklampen.. Ze knielen neer voor het improvisoire kookfornuis, onze stoof om de avondkilte te trotseren. Als de kleinste z’n handen warmt, al wrijvend, boven de brandende takken, en z’n gelaat opgelicht wordt door de roodgele vlammen, herkennen we hem pas. Noi. Nu met een klein zwembroekje aan. Kiekenvlees over heel z’n lijf, rillend. Op z’n hoofd een heuse duikbril. En die zaklamp. Vastgemaakt als een muts op z’n natte haren, zoals mijnwerkers het doen. Z’n vriend, met even weinig kleren aan, draagt behoedzaam de buidel met de avondvangst: zeven kleine visjes, met de handen uit het water geritst.

Noi had het raar gevonden, toen hij ons luttele uren eerder zag arriveren, dat we hier, aan de oevers van de Nam Xong zouden overnachten. Verlekkerd had hij naar de Amerikaanse sigaretten gekeken, niet minder verwachtend dan dat we er hem minstens één zouden aanbieden. Twee heeft hij er gerookt. Snel en diep inhalerend, na iedere trek, de sigaret bestuderend. Met handen en voeten had hij duidelijk gemaakt dat we we bij dorpsbewoners terecht konden voor de nacht. Z’n ogen vol ongeloof toen uit het kleine blauwe rolletje een iglotent oprees. Jamais vu. Alsof het een ufo betrof. Hij bleef er naar kijken, af en toe een grijns die z’n gouden voortand prijsgaf.

Noi en z’n vriend willen met gretige graagte proeven van onze barbecueresten. Hun ogen watertanden als we de geëmailleerde schotels met gegrilde vis en gembersaucissen laten zien. Onze eigen bereide tomaat-limoen-koriander-pigment salade. Ze smekken en smakken dat het een lieve lust is. Ze bestuderen nauwkeurig de vissen die we kochten op een marktje in een bergdorp vooraleer ze in hun mond verdwijnen. Ze blijven smekken. En smakken. We zitten er zwijgend bij en kijken er naar. De brengers van hun rijkelijkste maaltijd ooit, zo lijkt het wel. Onze restanten waren dan ook niet min, we hadden inkopen gedaan alsof we een overlevingstocht van een dag of tien in het verschiet hadden, onze ogen zoals gewoonlijk groter dan de buik bij het zien en ruiken van al dat oosters gekruid geweld. Van de in de rivier gekoelde beerlao’s willen ze niet nippen. ‘Ik word er gek van’,  zegt Noi in wonderbaarlijke gebarentaal. Buiken rond en lijven opgewarmd zetten ze hun tocht in de maanverlichte nacht verder. Op blote voeten door de modder en de drek, door het hoge gras, door het moeras op weg naar een bed dat veel verder op hen wacht. Wij rollen in onze tent voor een slapeloze nacht. De ondergrond is hard, en het kitscherige fuchsia roze deken geeft geen warmte. Kamperen is vooral romantisch vóór het slapengaan.

Al is het uur van de opkomende zon ook niet mis. Met gezwollen ogen staan kijken naar de mist, naar het desolate ochtendlandschap. Tot hij weer opduikt in de verte. Noi. Zijn voor ons al herkenbare, gezwinde tred. ‘Zou hij ons ‘café lum’ brengen?’, dromen we luidop. Als hij alle mist achter zich heeft gelaten is de ontgoocheling groot. Geen koffie en niet ons vissertje. Edoch, als de man terughoudend ‘sabai di’ mompelt, zijn we ongelovig overtuigd: Noi senior. Blootsvoets, met weinig enthousiasme op weg naar de plek voor de ochtendvangst. De tristesse in z’n ogen even groot als onze goesting om de baan weer op te gaan. 

 noisenior.jpg

En de blauwe ufo? Die staat nog steeds aan de oevers van de Nam Xong, wachtend op de ongelovige blik van Noi.   

Places where nobody goes – secret waterfall, Laos

Posted in Places where nobody goes by singajo on donderdag, 13 maart, 2008

 harpoon.jpg

They shaked heads. ‘No, not far ’. And we believed. The harpoongirls walked with naked feet in front of us. Dancing,  floating as fairies over pools and rocks.We met  on their way to a huntingplace, while we were in search of that untraceable waterfall, a whole day long . We had followed different tracks, (that) a dozen of villagers had suggested. No path was the right one. Until those fairies came. Smiling, pointing, suggesting to follow them. We did. The rocks were dangerously slippery. They were swift and fast. We stumbled, slipped and fell again and again. They laughed with our clumsiness, kept on jumping gracefully from rock to rock. Soaked and hypnoticed we didn’t gave up. At least, after another hour of following the blackhaired girls, we could hear the falling water. The final descent to go. They waited for us. Annoyed they  took over our luggage  for the  last crossover through the river, wading chestdeep with our bags above their heads. We had to swim   And then finally we saw it; that miserable line of water.  After our walk of hell we had hoped for a Niagarakind of thing. All we saw was a  clunzy water tap in overdrive. Nevertheless we dove into the tiny  pool. And balanced under the falling water while the harpoongirls followd our movements. They were sitting in the gras , watched over us  like sfinxes. Proud. They wisphered and looked curiosly in our bags. The sun was gone, the dark was there .Naive beautyness as in a child’s drawning.

Our waterfall. And the one of the harpoongirls.

(noot: bij wijze van oefening ben  ik zo vrijpostig te berichten in een verbasterde vorm van de taal van Shakespeare. Omdat het moet. Na een jaar aan het andere eind zijn m’n Engelstalige capaciteiten nog steeds en op alle vlak ondermaats. Ik wil daar graag en snel verandering in brengen. En daar bent u het slachtoffer van.)