Singajo's world

wijsheid uit het oostblok

Posted in ontmoetingen by singajo on zondag, 13 september, 2009

terwijl we met een heel gezelschap
naar zijn slaap en sekstempel stonden te staren
vroeg hij
waarom adam van eva niet van Chinese origine kan zijn geweest

daar stonden wij allemaal stil te zwijgen
en sprak hij
“because then she would have eaten the snake instead of the apple”

Advertenties

tissueman

Posted in ontmoetingen, Uncategorized by singajo on woensdag, 9 september, 2009

zakdoekjes

Hij staat daar zo op zondag
zijn gezicht naar de blinkende vloertegels gericht
steunend op twee krukken
en in zijn handen heeft hij tissue’s
30 cent papierensnotgoed

als ik dichterbij kom
wijst z’n rechterhand aarzelend vooruit
terwijl z’n elleboog steunt op de kruk
en een zachte stem vraagt
of ik er wil
zakdoekjes

waarom?
lacht hij vragend,
als ik vraag
om zijn beeltenis

en dan kijkt hij plots
en vol overgave
lange
lange
tijd
in de ogen
van mijn camera

en ik
ik kleur
ongemakkelijk rood
omdat
ik die blik
niet had verwacht
van een blinde

blind

The alien and the Thai princes

Posted in ontmoetingen, Uncategorized by singajo on dinsdag, 28 april, 2009

Ik stond aan de infobalie

En tot mij sprak een donkerbruine alienvrouw

“Can I have your photo ID please?”

Ze keek me heel indringend aan

Met haar azuurblauwe ogen

Alsof die ogen stralen uitzonden,

mijn hersenen screenden

“I don’t have a photo ID

I can give you my bankcard,

my phone,

my bag,

my work permit,

even my clothes if you want”

“You can’t enter the building without photo ID”

Ze keek streng

met die akelige ogen van haar

heel streng

Zucht

“Do i look like a terrorist?”

Stomme grapjes helpen hier nooit

Plotsklaps omsingeld door twee securitymannen

Al zagen die er niet als aliens uit

En ook niet gevaarlijk

Eerder als twee gepensioneerde garnalenvissers

“Look, i have a meeting with mister Chan. His office is on the 22th floor, can I please go in?”

“Can not”, zei die alien met de angstaanjagende ogen, “Mister Chan has to  come down to pick you up.”

Die ogen weer

Ze maakten me ongemakkelijk

En zij voelde zich superieur

“Mens toch, ge ziet er zo griezelig uit met uw kleurlenzen van dertig dollar voor 5 paar. Doe eens normaal!”

’t Lucht altijd op als ik zo in mijn eigen taal

luidop mijn gedacht kan zeggen

en aliens me niet verstaan

en dan voel ik me ook superieur, maar dan zonder kleurlenzen

en dan kan het me niet meer bommen

dat die mister Chan me moet komen ophalen

en dan maakt hij me uiteindelijk nog aan het lachen ook

met zijn Bruce Lee hoofd

en zijn nerveus enthousiasme omdat de Thai Princes op visite is

The Thai Princes

Ik stelde me er een Pocachontasachtige vrouw bij voor

Maar dan met een kroontje

vol kleine diamantjes

en een bloemenkrans

over haar  frêle  schouders gedrapeerd

Maar dat bleek alweer een illusie

Ze zag er eerder uit

als een boerin die net haar erf had verlaten.

Sprookjes bestaan niet meer.

Tagged with: , ,

Tussen Einstein, epicurist en Boeddhist

Posted in ontmoetingen by singajo on maandag, 30 maart, 2009

 

Als halve Einstein, met aanverwante voorliefde voor onderzoek, kunst & cultuur en het geloof in ‘cosmic power’ voelt hij zich hier als een vis in het water. “België?! Wat moet ik daar nog gaan doen?!” Professorpediater Hugo Van Bever pakte 6 jaar geleden overtuigd zijn koffers en vertrok met een ‘one way’ ticket richting Singapore.

We treffen elkaar op de kinderafdeling van het National University Hospital, het huidige habitat van professor Van Bever. Het gebouw oogt in vergelijking met veel andere buildings in supersonisch Singapore nogal ouderwets. Maar ook hier is de airco ongenadig. Vriestemperaturen bijna, terwijl het buiten naar goede gewoonte smeltend heet is. Voor me zit een gedreven man. Hij is “behept”, zoals hij het zelf noemt, gepassioneerd door kinderallergieën, dag en nacht spoken ze door zijn hoofd, zoekt hij naar oorzaken, oplossingen om ze onder controle te krijgen. En Singapore is een uitgelezen onderzoeksterrein. “De prevalentie van kinderallergieën is hier heel hoog, voor bepaalde allergieën dubbel zo hoog als in Europa. Ongeveer 40 procent van de kinderen heeft hier een allergie”, weet Van Bever. “Hoe dat komt? Aziaten zijn genetisch meer ontvankelijk, maar ook omgevingsfactoren zoals het tropische klimaat en een hoge concentratie aan huisstofmijt spelen een rol. En de levensstijl. Singaporezen durven al eens te proper zijn waardoor de weerstand vermindert.”

Ook antibioticagebruik induceert het optreden van allergieën en Van Bever is een van de mensen die inspanningen levert om de Singaporese bevolking daarvan bewust te maken. “Een à twee keer per maand geef ik voordrachten tegen excessief antibioticagebruik, ik besteed er aandacht aan in m’n lessen en schrijf erover in de lokale vakbladen. Er heerst hier immers nog een magisch idee over antibiotica. En artsen durven haast niet anders dan voorschrijven omdat de concurrentie vrij en dus hard is. Bovendien wil niemand een risico nemen, iedereen is bang voor medische fouten, het toezicht van de medial council werkt voor sommige artsen verlammend.”

Van Bever is niet zomaar in het doktersambt gerold. Als kind was “Hugootje” vaak ziek, “een teer baasje”. Hij kon niet verdragen dat kinderen ziek konden zijn en wou later –als hij groot was- vechten voor alleen maar gezonde kinderen op de wereld. Dat was zijn utopische kinderdroom. “Al groeide er ook nog een andere passie. Taal. Met woorden spelen. Literatuur. Germaanse filologie heeft ook lang door m’n hoofd gespookt en m’n ouders hebben me zeker niet in de geneeskunde gedwongen, maar onbewust voelde ik me een beetje verplicht. In die tijd was het doktersberoep nog iets met aanzien. Een Mercedes op de oprit van een grote villa en van die dingen… Ik kom uit een bakkersgezin en ‘nen doktoor’ in de familie, ja, dat zag iedereen goed zitten. Ze waren al trots nog voor het diploma binnen was.” Hij is nog steeds blij met zijn keuze. Al zal hij zeker nog een boek schrijven, ooit, als hij op een goede dag dan toch –en een beetje tegen zijn zin – met pensioen zal gaan. Er liggen al heel wat kladjes in zijn bureaulade, maar hij wil geen half werk leveren. Hij wil niet tot de grijze massa behoren, alleen eerste klasse is goed genoeg. Ambitieus is hij zeker. En belezen ook.

Van Bever had objectief gezien best wel een benijdenswaardige job, daar in België, als afdelingshoofd van de dienst kindergeneeskunde aan de UIA. Maar zonder blikken of blozen heeft hij zijn ontslag ingediend toen de mensen van het National University Hospital in Singapore hem een droombaan aanboden. Tussen pot en pint was Singapore ter sprake gekomen toen hij na een gevulde congresdag in een Thaise hotelbar zat na te praten met zijn goede vriend en collega professor Pakit Vichyanond van de Mahiol University (Bangkok). Van Bever werd melancholisch na een paar glazen, mijmerde over de tijd dat hij als pur sang onderzoeker werkte, ver weg van de administratieve en managementrompslomp waar hij de laatste jaren teveel naar zijn goesting mee te maken had. “Ga werken in Singapore”, opperde zijn vriend, “ze zijn op zoek naar iemand als jij.” En zo geschiedde. Vichyanond bracht hem in contact met de mensen van NUH en niet veel later trok Van Bever voor het eerst naar Singapore.

Men stond wel perplex, daar in Antwerpen, toen Van Bever na zijn kennismakingsreis, met een vers contract op zak, niet zonder enige trots zijn ontslag indiende. Nog nooit had een prof zelf de biezen gepakt. Waarom hij het wel deed? “Omdat ik naar mijn gevoel te weinig bezig kon zijn met de essentie. Ik ben toch wel een beetje een halve Einstein, gebeten door onderzoek. Managementtoestanden, daar hou ik niet van en bovendien kon ik me niet verzoenen met de beleidsvisie. Hier beseft men tenminste dat kindergeneeskunde niet winstgevend kan zijn en compenseert men het deficit met de winst van rendabele afdelingen zoals bijvoorbeeld chirurgie.”

Het moet toch een aanpassing zijn geweest? Van het doorgaans grijze, kille België naar tropisch Singapore? “Niet echt. Ik was omzeggen meteen verkocht. Ik hou van Azië. Van de tropen tout court. Van de zwoele temperaturen, van de mengeling van rassen en cultuur. En: ik heb een zwak voor shoppen. Orchard Road is een waar paradijs voor mensen zoals ik”, lacht hij. (nvdr Orchard Road is een combinatie van de Brusselse Nieuwstraat en de Louisalaan, maar dan in het multikwadraat.)

Ook de quality of life vindt Van Bever hier meer te pruimen. “Ik spreek natuurlijk voor mezelf, maar voor andere expatters zal het ook wel zo zijn. Ik ervaar een enorme waardering voor m’n skills. En ik krijg hier carte blanche. Wat niet wil zeggen dat ik geen evaluaties krijg. Ongeveer 40 procent van mijn werktijd gaat naar onderzoek, veertig procent naar lesgeven en 20 procent naar patiëntenopvolging. Een ideaal uitgebalanceerde combinatie. Ik hou van de drie facetten, ze vullen elkaar aan. En uit alles leer ik iets nuttigs. En werken in een omgeving waar je je begrepen voelt, zorgt voor minder stress, dat speelt natuurlijk ook. Bovendien is het verrijkend om te werken aan een universiteit waar men de hoogste onderwijscriteria hanteert. Harvardnormen, zeg maar. En als het werk gedaan is? Dan is het altijd zomer.”

Neen, hij mist hier niet veel uit het vaderland. Integendeel. “Ik voel geen enkele affiniteit meer met België”, zegt hij weinig omfloerst. “De Belgische politiek is om te lachen als je het van een afstand bekijkt. Waar zijn die mensen in godsnaam mee bezig? Onbekwaamheid troef, omdat iedereen aan politiek mag doen. En dan spreek ik nog niet over mijn walging ten aanzien van extreem rechts. Ik woonde in Antwerpen, blij dus dat ik niets meer te maken heb met Filip Dewinter en consorten. En cultuur? Wat weet de doorsnee Vlaming over cultuur? Voor hem zijn voetbal en VTM cultuur. Hoeveel mensen gaan naar een museum of naar de opera? In België is dit soort kunstbeleving helaas een elitaire aangelegenheid. Maar aan cultuur ontbreekt het hier zeker niet. In Esplanade, een van m’n favoriete plekken, heb ik al schitterende concerten en opera’s gezien, en vooral de diversiteit aan etnische en godsdienstige groepen (Chinezen, Indiërs, Maleisiërs, Hindoes, Moslims, Sikhs, Boeddhisten, … ) laten me meegenieten van een breed spectrum aan authentieke tradities die hier vol overgave worden beleefd door alle lagen van de bevolking. Dat zie je toch niet meer in Europa? Ja, amechtig voortlevende volksdansen misschien, maar daar stopt het. ”

In Singapore viert men inderdaad altijd wel iets. Van Chinese New Year, over Thaipusam, naar Hari Raja en Deepavali, of het Lantaarn Festival,… de stad ziet er veelal kleurrijk feestelijk uit. Overal en altijd anders, veelal geurend naar wierrook. Het is ook in deze stad dat Van Bever zich liet onderdompelen in de wijsheden van het boeddhisme. “De natuur als scheppingskracht vind ik fantastisch en via meditatie heb ik geleerd om te analyseren. Heel verrijkend. Ik geloof ook sterk in de wijsheid dat je je als mens nuttig moet maken. Niet parasiteren. Werken is het meest zinvolle wat je kan doen en heeft bovendien een niet te onderschatten sociale functie: iedereen moet zijn bijdrage leveren aan een betere wereld. En leven in het nu. Blij zijn met wat je hebt en vooral niet denken aan wat je niet hebt. Buitensporig sparen is zowat het domste wat een mens kan doen”, lacht de professor, “met alle goudstaven die wereldwijd in stevig vergrendelde kluizen liggen, zouden we Afrika kunnen voeden, bij manier van spreken.”

Maar anderzijds heeft het boeddhisme ook voorschriften waarin hij zich minder kan vinden. “Ik communiceer vrank en open. Terwijl men hier eerder de neiging heeft om juist geen vragen te stellen. En ook met de onderdrukking van sensualiteit heb ik het moeilijk – heel onnatuurlijk – zolang het allemaal uit vrije wil gebeurt, moet een mens ook zijn lichaam kunnen exploiteren, vind ik.”

Ook zijn joie de vivre strookt niet echt met de Boeddhistische beginselen. Hij is verzot op lekker eten, op een goed glas wijn. “En op dat vlak kom ik royaal aan mijn trekken. Deze stad is een gastronomisch paradijs. Meer zelfs. We weten allemaal dat Eden niet bestaat, maar zeg nu zelf: Singapore komt toch dichter in de buurt dan druilerig België?”

De man van plastiek

Posted in ontmoetingen by singajo on donderdag, 27 november, 2008

Nog een korteTatlerdag gehad deze week. ’t Was weer de moeite. Dit keer ten huize van een plaatselijke beroemde componist. Een man met een naar mijn gedacht verschrikkelijke smaak. Nu, ik hou ook wel van dieren in plastiek. Maar er zijn soorten. En grenzen.  In zijn geval waren het geen dieren maar planten en bloemen. Zelfs de palmbomen in zijn tuin bleken nep. Geen enkel blad groen kon daar verwelken. Bijna griezelig.

En dan die poes! Voor de draaitrap lag er een lelijk mormel te slapen. Precies echt, maar het beest verroerde niet toen ik er tegen schopte. Toch wel,  het viel om maar miauwde niet. Van pluche, zo bleek.   

Zelfs het eten op de marmeren toog was niet echt. Er hingen vuurrode pepers vervaardigd uit zijde en er stond een mand vol blinkend nepfruit.

De componist himself was door de jaren heen ook meer en meer plastiek geworden. Helemaal gladgestreken met een krachtig stoomstrijkijzer. Geen enkele rimpel meer. Op de vergeelde stoeffoto’s uit vervlogen tijden, met trofeeën en in het gezelschap van ander belangrijk volk, had hij tenminste nog kraaienpootjes en lachrimpels. Nu kan hij niet meer lachen, al zijn pogingen ten spijt. Lang leve botox, denk ik dan.

Wat een zielig creatuur. En wat een lelijk pronkerig huis. En toen zei de journaliste van dienst: “Ooooh what a lovely house! Gorgeous.” Soms val ik hier om van de slechte smaak der Aziaat.  

De rozehemdman

Posted in ontmoetingen by singajo on donderdag, 25 september, 2008

Hij had heel mooie complimenten gekregen op zijn portretfoto met de zwarte hulkman. Maar zelf was het hem vooral opgevallen dat hij nogal veel rimpels had rond de ogen. En dat beviel hem niet. Daar kon hij zelfs niet mee leven dus  is hij maar snel naar de schoonheidsdokter gelopen die er algauw 12, 5 gram botox heeft ingespoten.

Normaal kan ik nogal afgeven op opgespoten volk, maar toen hij het vertelde had het bijna iets charmants. Hij hief zijn zonnebril op zodat ik het resultaat kon zien. Hij vroeg of ik het geslaagd vond, hij zei dat hij zo blij is met zijn rimpelloos gezicht. Ik hief mijn zonnebril op en zei: vindt gij dan dat ik zo niet meer de straat op kan komen, dat ik mij moet schamen voor al die levensgroeven in mij gezicht? Maar hij zei dat rimpels bij vrouwen zoals ik wel mooi staan. Dat ik helemaal geen barbiepoptype ben. “Ben jij dan een Ken-type”, vroeg ik, maar hij vond geen antwoord.

Hij zei ook dat hij niet valt op zwarte hulkmannen, maar eerder op verfijnde geelhuiden met ranke spieren.  “Dus geen interesse in een saunabeurt met mijn witte hulkman vriend?”, vroeg ik schaamteloos ontgoocheld omdat ik ijverig op zoek ben naar passend vertier voor als mijn witte hulkvriend komt. Ik vroeg het ook omdat ik geschreven had dat ik het zou vragen en nu vond dat ik dat maar moest doen ook. Aan homo’s kunt ge immers alles vragen, weet ik uit ervaring. Ze zijn zelden gechoqueerd. Maar toch verslikte ik me een beetje in mijn gekoelde Appletizer toen de woorden uit m’n mond kwamen. Ik dacht; allez, waarom doet ge dat nu, ge kent die mens zelfs niet.

Hij viel niet voor de sexy slipjes die Masriadi schildert, hij viel gewoon voor de speelsheid in zijn werk. ’t Had niets te maken met erotische geladenheid. Integendeel. Hij vertelde honderduit die zonnige namiddag in de voortuin van het museum. Over zijn impulsieve verliefdheid na negen jaren trouwe liefde. Over hoe slecht hem dat bevallen was. Dat er ergens in Los Angeles een Roy Lichtenstein aan een muur hangt die zijn leven veranderde. Een doek waardoor hij weet dat alles voorbestemd is. En niets toeval. Ook Boeddha bracht hij ter sprake, hij zei dat die -ook wel hulkman- hem iets belangrijk heeft geleerd. Dat ge als mens moet beginnen aan de verwezenlijking van uw dromen. En dat ge ze moet afmaken. Dat vooral.  De rozehemdman  verklapte trots  dat hij een boek aan het schrijven is en dat hij beroemd zal worden want hij, als ex-banker en ex-ceo van een groot reclamebureau,  weet tenslotte hoe je iets succesvol aan de man kunt brengen. Hij heeft waarschijnlijk nog gelijk ook. Binnen dit en twee jaar zult ge allemaal zijn gebotoxeerd gezicht zien. Hij is een vedette in wording. The collector presenting himself as an artist. Zoals hij het fijntjes zegt met zijn Parijse accent.  

En toen hij naar huis ging, vroeg hij met nieuwsgierige ogen wanneer mijn witte hulk vriend komt. Die homo’s toch.       

Tagged with: , , ,

Over (zwarte) hulkmannen

Posted in ontmoetingen, Uncategorized by singajo on zaterdag, 20 september, 2008

 

Sudah biasa di telanjangi’ (“Used to being stripped), Nyoman Masriadi.

De zwarte hulkman bleef door mijn hoofd spoken nadat ik hem ietwat argwanend had bewonderd in de eetplaats van de Franse collectioneur met vrouwelijke trekken. Het schilderij van minstens twee meter op drie was cartoonesk grappig maar ook angstaanjagend zwart. De bodybuilder leunde iets voorover, zijn gespierde lijf goed voorzien van steroïden en enkel in een minuscuul kersenrood slipje verpakt. In aanvalshouding met mes en vork hing hij gevaarlijk boven de eetdis. Dat de eigenaar in roze hemd het kunstwerk koesterde, was overduidelijk. Hij wou niet zomaar op de foto, de zwarte hulkman zou en moest er  bij. Anders geen foto.  Zijn huis was behangen met kunstwerken, zijn huis ademde goede smaak, was strak maar ook frivool.

Natuurlijk wou hij uitgerekend met die zwarte bink op de foto, dat dacht ik toch achteraf, wellicht de natte droom van iedere man die de herenliefde bezingt om met zo’n bruut geweld de koffer in te duiken . Of toch de sauna op zijn minst. Ik klasseerde de zwarte hulkman categoriek  in het schuif ‘jeanettenkunst.’ Ik bedoel daar niets verkeerds mee, ik hou van homo’s, maar er bestaat toch zoiets als homo erotische kunst?

Maanden gaan voorbij en plots sieren honderden posters met een andere zwarte hulkman de straten van de stad. “Black is my last weapon”, staat er als opschrift en het zijn de woorden van Nyoman  Masriadi, rijzende ster aan het firmament van de hedendaagse Aziatische kunst. Hij schildert dan ook geen fleste pastelkleurige taferelen uit het authentieke Indonesië, geen halfnaakte vrouwen met waterkruiken op hun hoofd, noch idyllische halfzachte rijstlandschappen. Deze man brengt iets anders en het springt eruit. En het zijn, bij nader inzien toch geen jeanettenschilderijen. Ik altijd met mijn vooroordelen.

Ben na een betoverend expobezoek -waar trouwens ook de zwarte hulkman in kersenrode slip een muur sierde –  beginnen lezen over die vijfendertig jarige Nyoman en zijn verhaal leest als een mooi schilderssprookje. Hij is pas sinds enkele maanden (mei) very hot. Bij Christie’s in Hong Kong ging toen zijn  Sudah biasa di telanjangi’ over de toonbank. Voor maar liefst 541 duizend  dollar en een kluts. Nyonman begreep het zelf niet goed. Voordien kon je ‘al’ een Masriadi op de kop tikken voor pakweg 10 duizend dollar. Ondertussen woont de Balinees met zijn vrouw te midden van de rijstvelden rond Yogyakarta. Ondertussen heeft hij een (paar) auto’s en een mooi zwembad met poolside bar en al. En zijn vrouw lakt zijn nagels als hij slaapt, dat vooral vind ik  mooi. Maar hij moet nu wel harder werken dan voorheen. Want iedereen wil plots een Masriadi. Ik trouwens ook. Bij voorkeur voor in de entree van ons dakhuis. Dan lopen de groene italianer- en basketbalslofdieven zonder twijfel weg als ze ongevraagd ons rijk betreden . 

En nog iets. Dinsdag ga ik koffie drinken met de collectioneur in het roze hemd, die ik eigenlijk niet ken maar met wie ik nu een soortement van Masriadipassie deel.  En dan gaan we ons samen nog eens vergapen in het museum aan die zwarte en minder zwarte hulkmannen en zal hij  ook wel zijn uitgeleende kunstwerk aan een grondige inspectie onderwerpen, vermoed ik.  En dan ga ik hem vragen of hij het erg vindt dat ik in eerste instantie dacht dat onze vriend Nyoman jeanettenkunst schildert. En ook of hij nu al dan niet zelf een homo is of gewoon zacht vrouwelijke trekken heeft. En als hij een homo is dan ga ik zeggen dat mijn vriend homo binnenkort naar Singapore komt. En dat mijn vriend een witte hulkman is, toch ongeveer. Misschien windt hem dat wel op. En gaan ze ooit samen naar de sauna. Stel u voor. 

Tagged with: , ,

De man die zelfs zijn schaamhaar kleurde

Posted in ontmoetingen, Uncategorized by singajo on vrijdag, 25 juli, 2008

Soms passeren er personages in de familie die je nimmer vergeet. Ook al zou je hen uit je hoofd willen wissen. De man die zelfs zijn schaamhaar kleurde is er zo een. Ik had al argwaan bij de eerste ontmoeting, toen hij als lief van een nicht mijn moeder heel familiar omhelsde met de woorden: “Dag tante Lieveke.” Hij had mijn ma nog nooit gezien. Zulk soort enthousiasme vind ik op z’n zachts verdacht. Hij had bovendien zweethanden. En een glimmend voorhoofd. En hij kleurde zijn haar. ’t Was ‘nen valsen’ zwarten, zoals men zegt, hij had twee millimeter uitgroei en je kon zien dat hij van nature rost was. Maar toch vond iedereen hem sympathiek. Hij zag er immers netjes uit in zijn proper kostuum. En hij sprak met twee woorden. Maar ik walgde en voelde me al onwel worden toen ik wist dat ik hem ooit Nieuwjaarskussen zou moeten geven. Ik heb zo van die fixaties.

Na nog geen half jaar vrijage trouwde mijn arme nicht met die gemankeerde jannette. O hel. Ik kon er gelukkig niet bijzijn. En enkele maanden later was het helemaal om zeep. Ze was zwanger. Heel toevallig was ik de dag na de bevalling vlakbij het moederhuis en moest ik haar wel feliciteren. Hij stond naast het kraambed en praatte de hele tijd over “’t kind”. “’k Peize dat ‘t kind onger eeft”. “”t Kind eeft een boerke gelaten”. “’t Kind sloapt”. Hij zei dat met een onwaarschijnlijk verwijfde stem in een dialect dat het zijne niet was, maar dat hij toch aanwendde met het oog op optimale integratie. Mijn nicht was al even erg om eerlijk te zijn. Toen ik de kamer verliet wist ik begod niet hoe dat kind nu heette.

Ondertussen zijn ze gescheiden. We hebben nooit echt geweten waarom. Zij is weggelopen en eindelijk durfde ze het zeggen; “hij kleurde zelfs zijn schaamhaar”. Ik vond dat een onwaarschijnlijk grappige mededeling en het bleek de reden waarmee ze sympathie voor haar beslissing zocht. Want niemand begreep het. Zo ne lieve jongen.

Maar de man die zelfs zijn schaamhaar kleurde liet zich uiteindelijk zien van een minder lieve kant. Hij verwoeste de grafzerken van de overleden broertjes van m’n nicht. Omdat hij wist dat hij daarmee haar vader zou raken, die nog steeds, na al die tientallen jaren trouw de grafjes verzorgde.

De man die zelfs zijn schaamhaar kleurde. Vergeten kan ik hem niet.

De man die geen plan had

Posted in ontmoetingen by singajo on dinsdag, 22 juli, 2008

Hij heeft het voorkomen van een mature surfboy: bruingebakken, hippe sneakers en er steigert een immens getatoeëerd vuurpaard over zijn rug en armen en na vele jaren Azië is zijn West-Vlaamse tongval voor geen millimeter veranderd. Eigenlijk Terry heeft weinig gemeen met het prototype van een ondernemende designer. En toch.

Zelden gezien. Zo’n patchwork van rijstvelden. Omgewoelde, bezaaide modder. Gifgroene, jonge rijst. Geelbruine gewassen en geoogste akkers. Mensen met gekromde ruggen. Oude vrouwen zeulend met manden, mannen zwaaiend met de zeis. En in de verte, het geluid van de immer ruisende zee.
De weg naar Terry’s huis is van een soort authenticiteit die met verstomming slaat. Op- en neergaande, met putten bezaaide kronkelbanen, kampongs (nederzettingen) met okerkleurige huizen en in iedere tuin minstens 1 tempel. De offerplaats veelal groter dan de leefruimtes. De geur van wierrook en frangipane. Van ongezonde vuurtjes ook. Hoogbejaarde madammen zonder gene voor hun naakte hangborsten. Gezinnen op 1 brommer. Tieners onbekommerd kussend achter een boom. En honden. Ontiegelijk veel honden.

Werkelijk ie-de-reen kent Terry hier. Dat hebben we ondervonden toen we verdwaalden in het patchwork op zoek naar zijn huis. We moesten niets vragen. Als ze in de straten van Desa Belalang nog maar een boleh (buitenlander) zien, lachen ze spontaan: “Terry!”, en wijzen ze de juiste richting.
“Terry the boss”, noemen ze hem. Het halve dorp blijkt op de een of andere manier profijt uit zijn meubelfabriek te halen. En ze vinden hem een fijne boss. Eigenlijk ook wel een beetje een gekke.
De bedrijfsleider woont op 500 meter van zijn zaak en wandelt er, met z’n laptop onder de arm, op blote voeten naartoe. Veelal maakt hij een shortcut door de zompige rijstakkers. Hij zet senseo-koffietjes voor de werknemers en laat zich ophalen met een bebek (brommertje) door de ranke secretaresse in minirok als hij geen zin in wandelen heeft. Hij is de baas die zegt dat hij het hardste werkt als hij hoog op de golven, op z’n surfboard, staat.
“t Is echt zo. Inspiratie komt bij mij niet door naar een leeg blad te staren. Op zee komt ze wel. Daar doe ik het grootste werk. En voor de rest steun ik vooral op mijn fantastisch team. Onder wie twee tekenaars die mijn ideeën op papier zetten.”

Terry is niet de enige flamboyante ondernemer die koos voor een leven op het godeneiland Bali. Wel een van de gelukkigen die er effectief in slaagt en overeind bleef na de tweede bom. Hij is cent pour cent selfmade, een doener die beseft dat hij zonder zijn lef nog steeds in België “op zijn luie kont zou zitten”. Hopend op Lottowinst als ticket voor een meer kleurrijk bestaan.
“Op school had ik altijd het gevoel dat ik mijn tijd verprutste. Ik leerde er niets. Toch niets dat mij boeide en ik doodde de saaie uren met tekenen. Dat passioneerde me wel. Ontwerpen maken. Van motoronderdelen of vervangstukken voor een kapotte sofa. Toen ik zeventien was, ben ik gestopt met school en trok ik naar het fabriek, waar ik wel een stiel heb geleerd: hout- en staalbewerking. De jaren daar hebben me gebracht waar ik nu ben. Via omwegen weliswaar.”

Na een vier jaar durende vrijage trouwde hij zijn jeugdvriendin. Twintig, was hij toen. “We huwden op een vrijdag en de zondag die volgde wist ik: dit lukt nooit. Teveel regels. Een pint gaan drinken met mien moaten kon niet meer. Neen, ik heb niet gevochten om er toch iets van te maken. Zin in komedie spelen had ik niet. Tien dagen later gingen we uiteen.” Hij vertelt het kurkdroog. “Mijn hele hebben en houden heb ik toen verkocht. Ik wilde reizen, had zin in avontuur. Er was niets dat me tegenhield.
Terry trok naar Zuid-Amerika. Aan de voet van de Andes, in het Venezolaanse bergdorp Poderosa, leerden de Indianen hem zilver bewerken. “Dat was geen lukrake keuze. Zilver is eenvoudig te manipuleren. En niet duur. Maar vooral: je hebt niet veel materiaal nodig. Juwelen maken, dat kun je overal.”
Zo leefde Terry enkele jaren: als hij z’n verdiende centen had verbrast, maakte hij nieuwe juwelen, hij verkocht ze en ging weer aan het feesten. “Vient toch, ik en mien gamuzeerd,” mijmert hij.
Columbia, Cuba, Isla Margarita, Brazillie en Venezuela. Hij zou een boek kunnen schrijven over zijn dolle avonturen daar. Of over de tijd dat hij in New York werkte voor een Joodse verhuisfirma. Of over zijn periode als sigarenkoerier tussen NY en Cuba. Of over zijn jaar op Micronesië. Een Amerikaans architect had hem gevraagd speeltuigen te ontwerpen en te produceren voor een park op een van de vele piepkleine eilanden. “Een mooie opdracht, dat wel, maar ik werd er gek. Zo klein. Je springt er op je fiets en voor je goed en wel in je zadel zit, ben je het eiland rondgereden.” Na zes maanden had Terry een break nodig en vertrok hij naar Bali. “Ik was meteen betoverd door de natuur en de architectuur. Vergaapt heb ik me, aan hoe ze hier daken vervaardigen uit alang alang (gras). En de surfgolven… man toch, daarop rechtstaan geeft zo’n kick. En de vrouwen natuurlijk. De vrouwen geven altijd de doorslag.”

Maar de Micronesische speeltuigen waren niet klaar. Dus keerde Terry terug om zijn opdracht af te maken. Tot junkies hem een nachtelijk bezoek brachten. Hem in elkaar timmerden en alles meenamen wat hij bezat. Er viel niet veel te verhuizen. En met een paar honderd dollar op zak vloog hij terug naar Denpasar, Bali. Mei 1997 was het toen. “Ik had niet echt een plan. Maar. Ik was ik wel overtuigd van mijn slaagkansen.”
Zijn Balinees verhaal begon met een set zilveren chopsticks dat hij maakte in zijn kamertje in Denpasar. Met zijn laatste centen kocht hij een ticket naar Tokyo. Hij stapte daar vol lef een interieurzaak binnen en liep een half uur later buiten met zijn eerste bestelling. En een smile on his face. Of course. Tien jaar later woont hij in een mooi huis en zijn de fundamenten van zijn bedrijf stevig. Al waren er ook zwarte tijden. “Er zijn momenten geweest dat ik dacht: ‘er zit niets anders op dan mezelf op te sluiten in een Tibetaans klooster.’ Ik had geen rotte bal, maar naar België terug keren was geen optie. Daarvoor is mijn trots te groot. ”

Ondertussen werkt er 40 man in zijn door rijstvelden omgeven meubelfabriek. Onder wie twee andere Belgen die instaan voor de verkoop en follow-up. Maar het volle vertrouwen heeft Terry in de Balinees Vika, een architect van opleiding en Terry’s rechterhand. Hij regelt alle praktische besognes, is de wandelende agenda, chauffeur en foutloze rekenmachine. “Ik wil daar heel eerlijk in zijn”, zucht de West-Vlaming, “een geboren ondernemer ben ik niet. Wel bruis ik van de ideeën en kan ik goed inschatten of een concept al dan niet technisch haalbaar is. De introductie bij de klanten doe ik met hart en ziel, ik ben nogal een babbelaar, maar de follow up… neen, helaas, dat is niet mijn sterkste kant. Wellicht had ik nog verder kunnen staan met mijn bedrijf. Maar ik leef ook graag. En laat ons wel wezen: ik kan toch niet meer eten en drinken dan dat ik nu al doe. Een groter huis interesseert me niet en een zwembad? Vient toch, ik heb hier de zee, een schoner zwembad vind je nergens. Een extravagante auto, ja, dat zou ik misschien ooit wel willen. Maar het is zeker geen must voor mijn geluk.”

De laatste jaren is er een toenemende vraag naar grotere stukken voor particulieren; keukens en slaapkamers op maat. Maar de grootste moot klanten situeert zich in de luxueuze hotelketens. Bulgari, Mandarin Oriental, Ritz, Hyath en Four Seasons om er enkele te noemen. Ze doen overwegend een beroep op Terry voor hun “table topping”: asbakken, pepermolens, dienbladen, chopsticks, … Voor een resort van de One & Only keten op de Malediven ontwierp hij een kaviaarbar en zo haalde hij recent een opdracht binnen voor het exquise Kempinski hotel in Tanzania. Hij mag er de hele 8ste verdieping aanpakken. De bar en het restaurant ontwerpen naar zijn smaak. Tot de uniformen van de diensters toe. Hij glundert als hij het vertelt. “De general manager stuurde me een mail. Dat ze in zijn hotel de ‘wauw’– factor missen. En of ik daar iets zou kunnen aan doen… Als ik dit tot een goed einde breng, zijn we definitief gelanceerd. Ontwerpen is het liefste wat ik doe, maar mijn business bestaat totnogtoe voornamelijk uit productie. Dit zou de droomkentering kunnen zijn.”

Uiteraard zou Terry ook kunnen kankeren. Over het werktempo van de Balinezen. Over het gebrek aan infrastructuur. Over de slechte wegen. De loslopende viervoeters in het verkeer. Over de hitte. Over de prijs van een goede fles wijn. Over de ware aard die schuil gaat achter al die lachende Indo gezichten.
Vele, in Bali gesettelde westerlingen mokken voortdurend. Westerlingen met kasten van huizen, blijkbaar riante bankrekeningen en al dan niet een prachtige en dienstbare ‘femme Gaugiun’ aan hun zijde, sluiten zich liefst op in hun pronkerige ommuurde burchten. Ver weg van de exotiek waarvoor ze jaren geleden het eiland uitkozen als verblijfsplaats. “Bali is Bali niet meer”, jammeren ze. En ze hebben een punt. Tien jaar geleden kon je op het paradijselijke eiland een immense villa leasen –kopen was toen nog onmogelijk voor buitenlanders – , nu krijg je voor hetzelfde geld met moeite een hut. En er waren natuurlijk ook de bommen van extreme moslims die een schaduw over het olé-olé gevoel wierpen. Maar daar zijn nu vooral de Balinezen die ooit de rijstvelden voor het toerisme inruilden de dupe van. “Na die eerste bom is het nog vrij snel goed gekomen”, vindt Terry. “Iedereen dacht: die bom hebben we gehad, we zijn veilig nu. Ook toeristen dachten er zo over . Maar als er dan zo’n tweede aanslag komt, zit de schrik er natuurlijk goed in. In 2006 is de retail in Bali met 70 procent gedaald.”
Al merk je daar in eerste instantie weinig van, op een doordeweekse dag in badstad Kuta. Op het strand lijkt het aantal toeristen dat zich laat roosteren onverminderd. Het aanzicht van al dat aangebakken strandvlees doet duizelen. Maar in de hippe clubs waar je voor de bommen over de hoofden kon lopen, kan er nu gerust nog een paar honderd man bij. Weinig volk ook in de boetieks die de badplaatsen met elkaar verbinden. En toch: men blijft lustig hotels neerpoten. En tempels ook. Ze geloven het zonder twijfel echt, de Balinezen, dat hun dagelijkse bewierookte offers terug voorspoed zullen brengen.

“Klagen? Ik zou niet durven”, zegt Terry fel. “Ik ben niet vergeten vanwaar ik kom en besef iedere dag dat ik met mijn gat in de boter ben gevallen. Tegenwoordig kunnen we hier zelfs malse biefstukken bakken.” Carrefour heeft recent een warenhuis geopend in het gebombardeerde Kuta. Iedereen praat erover. En iedereen gaat zien. De kolonialen slaan er kaas en wijn in. De Balinezen trekken hun beste kleren aan voor een familie-uitstap naar de supermarkt. Files om de parking op te rijden. Het lijkt wel een pretpark.
“Of je het hier goed hebt, hangt vooral af van je eigen ingesteldheid”, vindt Terry. “Het lijkt allemaal heel exotisch, een leven hier, maar het vergt toch een bepaalde houding. Zeker als je wil ondernemen. Het opleidingsniveau van de lokale arbeiders is niet te vergelijken met de vorming zoals we dat in België gewend zijn. En: Balinezen hebben een ander tijdsbesef. Als je hen vraagt ‘kun je dat arrangeren tegen morgen’, zullen ze breed glimlachend en overtuigd ‘ja’-knikken. Maar morgen is voor hen evengoed overmorgen. Of volgende week, of zelfs volgende maand. Je kunt je daaraan ergeren. En je blijven ergeren. Of je kunt er voor een stuk in meegaan. Het is een evenwichtsoefening. Het belangrijkste is: zelf gedisciplineerd blijven. De focus niet verliezen en vooral de taal spreken. Ik wil met iedereen kunnen communiceren. De sociale contacten zijn sowieso al gelimiteerder dan bij ons, dan doe je er toch alles aan om jezelf niet te beknotten?”
Dat hij dat absoluut niet doet, blijkt snel. Het is een komen en gaan in zijn huis. Van excentrieke dorpelingen met goesting in een vodka, van Hollanders met een Balinese activiteit of Javaanse vrouw, van werknemers op zoek naar een internetverbinding. Van verdwaalde honden ook. En niet in het minst van Cayanti’s halve familie.
Cayanti is al jaren de vrouw in zijn leven. Ze vond hem maar een rare ‘kwiet’ toen ze hem ontmoette. “Hij zag er helemaal niet serieus uit. Op een dag heb ik toch ingestemd voor een etentje, maar ik heb ik mijn hele familie meegenomen. Je moest zijn gezicht zien”, lacht ze. Ondertussen is hij eraan gewoon geraakt. Als je met een Indonesische vrouw leeft, trouw je haar hele familie.
Waarom zoveel blanke mannen op Aziatische vrouwen vallen, is voor Cayanti duidelijk. “Wij zijn opgevoed met de idee dat je de man op een voetstuk moet plaatsen. Dat hij altijd gelijk heeft. En dat je hem moet volgen. Hoe dan ook.” Cayanti zaagt niet als Terry er op uit trekt op vrijdagavond om pinten te drinken met ‘het Belgisch elftal’. Cayanti zaagt nooit. Zolang hij maar terug naar huis komt. Al is het de volgende dag.

“Kom mee”, wenkt Terry, “ik toon jullie m’n bureau.” We springen op z’n brommer, rijden langs de gifgroene rijstvelden. De dorpelingen zwaaien, zoals men wuift naar een voorbijrijdende pausmobiel. En dan opeens een zwart verlaten strand. Palmbomen en woeste golven. Terry springt op zijn surfbord en zegt: “ik ga een beetje werken nu.”

Le Dragon de Comodo

Posted in ontmoetingen by singajo on donderdag, 10 juli, 2008

“Le Dragon de Comodo is de enige dinosaurus die nog leeft en daarom is hij mijn lievelingsdier. Wat is jouw lievelingsbeest?”

“Een varken.”

“Een varken?  Een varken is toch niet gevaarlijk? De draak van Comodo eet mensen op!  En de babydraakjes moeten als ze uit hun ei gekropen zijn snel een boom invluchten omdat ze anders levend worden verslonden door de grote draken met kannibale neigingen. Ze blijven dan in de boom zitten tot ze groot en sterk zijn. De draak van Comodo is sterker dan een krokodil en het mooiste dier ter wereld. Vind jij dan dat varkens mooi zijn?”

Neen. Maar ze zien er wel grappig uit. Eekhoorntjes ook en vandaag ben ik nogal gecharmeerd door het pygmee nijlpaard. Zo onnozel dat die zwemt.”

“Ja, dat wel. maar de draak van Comodo is sterker. Wat is volgens jouw het sterkste dier? Een panter of een draak van Comodo?”

“Een panter?”

“Misschien. Maar twee  Comodo draken  kunnen wel een panter opeten.”

Eindelijk kwam er klank uit het sproetenjong. Eindelijk. Wel duizend keer heeft hij gezegd: “Le dragon de Comodo est  mon animal préférée.” Toen we naar de apen keken, of naar de zwarte panter, toen hij voor de olifanten stond zei hij alleen maar: wanneer gaan we de draak van Comodo zien? Hij liep al de hele dag met zijn hoofd naar de grond gericht. Niets kon hem boeien, alles vond hij even vervelend. De pizza was slecht, de papegaai lelijk en de dierentuin stom.   

In een vlaag van menslievendheid had ik geproposeerd om te babysitten  op een kind dat ik niet ken. Het achtjarige jongentje was helemaal alleen uit Frankrijk overgevlogen om zijn papa te bezoeken die hier van ’s morgens vroeg tot ’s morgens vroeg staat te zweten in een Franse keuken en tot zijn grote spijt weinig tijd heeft om zoonlief te entertainen. “Als je wil ga er wel eens mee naar de zoo of zo”, had ik in een bui van zinsverbijstering geopperd en de vader vond dat een welkom idee.

Toen ik het kereltje ophaalde hing er een grote donderwolk boven zijn sproetenhoofd. Hij zat in een hoekje van het lege restaurant, frunnikte    ongeïnteresseerd aan zijn plastic soldaten en bekeek me met wantrouwige ogen. Toch ging hij zonder tegensputteren mee. Hij slofte achter me aan met zijn onderlip tot op de grond.

Hij had geen dorst. Hij wou niets eten. Hij at niets graag. Hij had ni frères, ni sœurs. Zijn nonkel was niet zijn nonkel maar zijn tonton, de tempel wou hij niet zien. En ik sprak slecht Frans. Dat vond hij vooral. “Ton accent est terrible”, had hij zonder verpinken in mijn smoel gegooid en het Chinese lief van zijn tonton sprak veel-veel-veel beter dan ik. Hij liep de hele tijd naar de straatstenen te kijken en vond het niet de moeite om zich te verwonderen over de Aziatische bedrijvigheid, hij liep door Little India alsof hij de weg naar school aflegde op een ochtend dat hij er geen zin in had. Ook het eerste uur in de zoo was een regelrechte ramp. Geen enkel beest was zijn aandacht waard, alleen dus die verdomde ‘Dragon de Comodo’. Toen we uiteindelijk oog in oog stonden met dat draakgeval heeft hij er vijf slecht gekadreerde foto’s van genomen en toen wou hij naar huis.

Hij nam m’n hand en vroeg waarom ik eigenlijk zelf geen kinderen heb.