Singajo's world

time out

Posted in Uncategorized by singajo on woensdag, 30 juli, 2008

Hard gewerkt de voorbije dagen terwijl Symp en Tien de stad verkenden, iedere avond goed gefeest en nu samen weg naar Bali tot eind volgende week. Yihaaa. Daarna zal ik met plezier berichten over onze avonturen aldaar.

Advertenties

Ze zijn weer bezig

Posted in Uncategorized by singajo on zaterdag, 26 juli, 2008

Al een paar weken nu, lijkt hier op zaterdagavonden, als de zon bijna aan de horizont is verdwenen, alsof ze de stad zullen bombarderen. De straaljagers zoeven in zwermen en met charivari over ons huis naar de binnenstad. Alsof het einde heel nabij is. Maar ze hebben totnogtoe nog geen bom laten vallen, en ze zijn dat beslist ook niet van plan. De luchtmacht oefent al een maand voor de nakende parade op 9 augustus ter ere van National Day. Vorige week stond ik op dit tijdstip ergens in de stad in een straat waar iedereen doorgaans naar winkelramen kijkt. Maar toen liep iedereen naar de hemel te staren. Het showspel van de snelle vliegers was dan ook impressionant. Ze produceerden lange rookpluimen die rare kronkels vormden in de avondblauwe lucht. Zeker het duet van twee stunters die laag bij de grond uit elkaar gingen en zowaar een perfect rookhart aftekenden aan het firmamanet.

En toch begrijp ik het niet. Singaporezen zijn doorgaans angsthazen, hun veiligheidsmaatregelen zijn dikwijls lachwekkend stoïcijns. Maar als het op die parade aankomt, die miljoenen kost, lijken ze me roekeloos. Een luchtshow boven de binnenstad! Met een bang hart stond ik te kijken naar een sextet van kronkelende straaljagers, ze leken op geen millimeter van elkaar verwijderd tijdens hun loop. Ze gaan botsen – ontploffen –neerstorten, dacht ik. Natuurlijk gebeurde dit niet, maar indien er toch iets mis zou gaan, schaffen ze National Day hier gewoon af. Daar ben ik wel van overtuigd.

Ik ga nog wat kijken naar hun kunsten nu, in blijde verwachting van broer Sympie. Die hangt op dit eigenste moment ergens boven Tokio, maar vannacht zal hij eindelijk op ons dak staan! En ik ben niet ziek! Maar wel een beetje zenuwachtig natuurlijk.

De man die zelfs zijn schaamhaar kleurde

Posted in ontmoetingen, Uncategorized by singajo on vrijdag, 25 juli, 2008

Soms passeren er personages in de familie die je nimmer vergeet. Ook al zou je hen uit je hoofd willen wissen. De man die zelfs zijn schaamhaar kleurde is er zo een. Ik had al argwaan bij de eerste ontmoeting, toen hij als lief van een nicht mijn moeder heel familiar omhelsde met de woorden: “Dag tante Lieveke.” Hij had mijn ma nog nooit gezien. Zulk soort enthousiasme vind ik op z’n zachts verdacht. Hij had bovendien zweethanden. En een glimmend voorhoofd. En hij kleurde zijn haar. ’t Was ‘nen valsen’ zwarten, zoals men zegt, hij had twee millimeter uitgroei en je kon zien dat hij van nature rost was. Maar toch vond iedereen hem sympathiek. Hij zag er immers netjes uit in zijn proper kostuum. En hij sprak met twee woorden. Maar ik walgde en voelde me al onwel worden toen ik wist dat ik hem ooit Nieuwjaarskussen zou moeten geven. Ik heb zo van die fixaties.

Na nog geen half jaar vrijage trouwde mijn arme nicht met die gemankeerde jannette. O hel. Ik kon er gelukkig niet bijzijn. En enkele maanden later was het helemaal om zeep. Ze was zwanger. Heel toevallig was ik de dag na de bevalling vlakbij het moederhuis en moest ik haar wel feliciteren. Hij stond naast het kraambed en praatte de hele tijd over “’t kind”. “’k Peize dat ‘t kind onger eeft”. “”t Kind eeft een boerke gelaten”. “’t Kind sloapt”. Hij zei dat met een onwaarschijnlijk verwijfde stem in een dialect dat het zijne niet was, maar dat hij toch aanwendde met het oog op optimale integratie. Mijn nicht was al even erg om eerlijk te zijn. Toen ik de kamer verliet wist ik begod niet hoe dat kind nu heette.

Ondertussen zijn ze gescheiden. We hebben nooit echt geweten waarom. Zij is weggelopen en eindelijk durfde ze het zeggen; “hij kleurde zelfs zijn schaamhaar”. Ik vond dat een onwaarschijnlijk grappige mededeling en het bleek de reden waarmee ze sympathie voor haar beslissing zocht. Want niemand begreep het. Zo ne lieve jongen.

Maar de man die zelfs zijn schaamhaar kleurde liet zich uiteindelijk zien van een minder lieve kant. Hij verwoeste de grafzerken van de overleden broertjes van m’n nicht. Omdat hij wist dat hij daarmee haar vader zou raken, die nog steeds, na al die tientallen jaren trouw de grafjes verzorgde.

De man die zelfs zijn schaamhaar kleurde. Vergeten kan ik hem niet.

Roof with a view

Posted in Uncategorized by singajo on woensdag, 23 juli, 2008

Zou hij haar vragen of ze meer doet dan alleen meedrinken? Vraagt hij of hij onder haar jurk mag voelen als hij daar goed voor betaalt? Of is hij misschien haar vader die twee nonkels heeft meegebracht om dochter lief al dan niet met geweld uit dit oord van verderf te halen?

De nieuwe karaokebar links beneden ons dak zorgt voor geurende, filmische taferelen. Als de tent ’s avonds de deuren opent, komen de sierlijk geklede working girls naar buiten om wierrook te branden in het miniatuurtempeltje dat ze hebben opgesteld in het openlucht voorportaal. Ze lijken wel sprookjesprinsessen in hun doorgaans lange avondjurken. De geur van de opbrandende stokjes waait naar boven, naar ons dak. “Zouden ze smeken bij de goden om een klantrijke avond?”, vraag ik me af. Of eerder om de stem van een nachtegaal? Want als mannen betoverd raken door hun gezang, brengt dat veel geld in de kassa. En krijgen zij een lint of bloemenkrans rond hun buste gedrapeerd.

Du jamais vu zijn ook de subtiele verleidingskunsten die de ‘uitzuipsters’, etaleren om manvolk financieel lichter te maken. Ze doen het geraffineerd, haast onzichtbaar, alsof hun smalltalk geen bijbedoelingen heeft.

Gluren naar de buren. Van op ons dak voelt het als kijken naar mysterieuze film.

Tagged with: , ,

De man die geen plan had

Posted in ontmoetingen by singajo on dinsdag, 22 juli, 2008

Hij heeft het voorkomen van een mature surfboy: bruingebakken, hippe sneakers en er steigert een immens getatoeëerd vuurpaard over zijn rug en armen en na vele jaren Azië is zijn West-Vlaamse tongval voor geen millimeter veranderd. Eigenlijk Terry heeft weinig gemeen met het prototype van een ondernemende designer. En toch.

Zelden gezien. Zo’n patchwork van rijstvelden. Omgewoelde, bezaaide modder. Gifgroene, jonge rijst. Geelbruine gewassen en geoogste akkers. Mensen met gekromde ruggen. Oude vrouwen zeulend met manden, mannen zwaaiend met de zeis. En in de verte, het geluid van de immer ruisende zee.
De weg naar Terry’s huis is van een soort authenticiteit die met verstomming slaat. Op- en neergaande, met putten bezaaide kronkelbanen, kampongs (nederzettingen) met okerkleurige huizen en in iedere tuin minstens 1 tempel. De offerplaats veelal groter dan de leefruimtes. De geur van wierrook en frangipane. Van ongezonde vuurtjes ook. Hoogbejaarde madammen zonder gene voor hun naakte hangborsten. Gezinnen op 1 brommer. Tieners onbekommerd kussend achter een boom. En honden. Ontiegelijk veel honden.

Werkelijk ie-de-reen kent Terry hier. Dat hebben we ondervonden toen we verdwaalden in het patchwork op zoek naar zijn huis. We moesten niets vragen. Als ze in de straten van Desa Belalang nog maar een boleh (buitenlander) zien, lachen ze spontaan: “Terry!”, en wijzen ze de juiste richting.
“Terry the boss”, noemen ze hem. Het halve dorp blijkt op de een of andere manier profijt uit zijn meubelfabriek te halen. En ze vinden hem een fijne boss. Eigenlijk ook wel een beetje een gekke.
De bedrijfsleider woont op 500 meter van zijn zaak en wandelt er, met z’n laptop onder de arm, op blote voeten naartoe. Veelal maakt hij een shortcut door de zompige rijstakkers. Hij zet senseo-koffietjes voor de werknemers en laat zich ophalen met een bebek (brommertje) door de ranke secretaresse in minirok als hij geen zin in wandelen heeft. Hij is de baas die zegt dat hij het hardste werkt als hij hoog op de golven, op z’n surfboard, staat.
“t Is echt zo. Inspiratie komt bij mij niet door naar een leeg blad te staren. Op zee komt ze wel. Daar doe ik het grootste werk. En voor de rest steun ik vooral op mijn fantastisch team. Onder wie twee tekenaars die mijn ideeën op papier zetten.”

Terry is niet de enige flamboyante ondernemer die koos voor een leven op het godeneiland Bali. Wel een van de gelukkigen die er effectief in slaagt en overeind bleef na de tweede bom. Hij is cent pour cent selfmade, een doener die beseft dat hij zonder zijn lef nog steeds in België “op zijn luie kont zou zitten”. Hopend op Lottowinst als ticket voor een meer kleurrijk bestaan.
“Op school had ik altijd het gevoel dat ik mijn tijd verprutste. Ik leerde er niets. Toch niets dat mij boeide en ik doodde de saaie uren met tekenen. Dat passioneerde me wel. Ontwerpen maken. Van motoronderdelen of vervangstukken voor een kapotte sofa. Toen ik zeventien was, ben ik gestopt met school en trok ik naar het fabriek, waar ik wel een stiel heb geleerd: hout- en staalbewerking. De jaren daar hebben me gebracht waar ik nu ben. Via omwegen weliswaar.”

Na een vier jaar durende vrijage trouwde hij zijn jeugdvriendin. Twintig, was hij toen. “We huwden op een vrijdag en de zondag die volgde wist ik: dit lukt nooit. Teveel regels. Een pint gaan drinken met mien moaten kon niet meer. Neen, ik heb niet gevochten om er toch iets van te maken. Zin in komedie spelen had ik niet. Tien dagen later gingen we uiteen.” Hij vertelt het kurkdroog. “Mijn hele hebben en houden heb ik toen verkocht. Ik wilde reizen, had zin in avontuur. Er was niets dat me tegenhield.
Terry trok naar Zuid-Amerika. Aan de voet van de Andes, in het Venezolaanse bergdorp Poderosa, leerden de Indianen hem zilver bewerken. “Dat was geen lukrake keuze. Zilver is eenvoudig te manipuleren. En niet duur. Maar vooral: je hebt niet veel materiaal nodig. Juwelen maken, dat kun je overal.”
Zo leefde Terry enkele jaren: als hij z’n verdiende centen had verbrast, maakte hij nieuwe juwelen, hij verkocht ze en ging weer aan het feesten. “Vient toch, ik en mien gamuzeerd,” mijmert hij.
Columbia, Cuba, Isla Margarita, Brazillie en Venezuela. Hij zou een boek kunnen schrijven over zijn dolle avonturen daar. Of over de tijd dat hij in New York werkte voor een Joodse verhuisfirma. Of over zijn periode als sigarenkoerier tussen NY en Cuba. Of over zijn jaar op Micronesië. Een Amerikaans architect had hem gevraagd speeltuigen te ontwerpen en te produceren voor een park op een van de vele piepkleine eilanden. “Een mooie opdracht, dat wel, maar ik werd er gek. Zo klein. Je springt er op je fiets en voor je goed en wel in je zadel zit, ben je het eiland rondgereden.” Na zes maanden had Terry een break nodig en vertrok hij naar Bali. “Ik was meteen betoverd door de natuur en de architectuur. Vergaapt heb ik me, aan hoe ze hier daken vervaardigen uit alang alang (gras). En de surfgolven… man toch, daarop rechtstaan geeft zo’n kick. En de vrouwen natuurlijk. De vrouwen geven altijd de doorslag.”

Maar de Micronesische speeltuigen waren niet klaar. Dus keerde Terry terug om zijn opdracht af te maken. Tot junkies hem een nachtelijk bezoek brachten. Hem in elkaar timmerden en alles meenamen wat hij bezat. Er viel niet veel te verhuizen. En met een paar honderd dollar op zak vloog hij terug naar Denpasar, Bali. Mei 1997 was het toen. “Ik had niet echt een plan. Maar. Ik was ik wel overtuigd van mijn slaagkansen.”
Zijn Balinees verhaal begon met een set zilveren chopsticks dat hij maakte in zijn kamertje in Denpasar. Met zijn laatste centen kocht hij een ticket naar Tokyo. Hij stapte daar vol lef een interieurzaak binnen en liep een half uur later buiten met zijn eerste bestelling. En een smile on his face. Of course. Tien jaar later woont hij in een mooi huis en zijn de fundamenten van zijn bedrijf stevig. Al waren er ook zwarte tijden. “Er zijn momenten geweest dat ik dacht: ‘er zit niets anders op dan mezelf op te sluiten in een Tibetaans klooster.’ Ik had geen rotte bal, maar naar België terug keren was geen optie. Daarvoor is mijn trots te groot. ”

Ondertussen werkt er 40 man in zijn door rijstvelden omgeven meubelfabriek. Onder wie twee andere Belgen die instaan voor de verkoop en follow-up. Maar het volle vertrouwen heeft Terry in de Balinees Vika, een architect van opleiding en Terry’s rechterhand. Hij regelt alle praktische besognes, is de wandelende agenda, chauffeur en foutloze rekenmachine. “Ik wil daar heel eerlijk in zijn”, zucht de West-Vlaming, “een geboren ondernemer ben ik niet. Wel bruis ik van de ideeën en kan ik goed inschatten of een concept al dan niet technisch haalbaar is. De introductie bij de klanten doe ik met hart en ziel, ik ben nogal een babbelaar, maar de follow up… neen, helaas, dat is niet mijn sterkste kant. Wellicht had ik nog verder kunnen staan met mijn bedrijf. Maar ik leef ook graag. En laat ons wel wezen: ik kan toch niet meer eten en drinken dan dat ik nu al doe. Een groter huis interesseert me niet en een zwembad? Vient toch, ik heb hier de zee, een schoner zwembad vind je nergens. Een extravagante auto, ja, dat zou ik misschien ooit wel willen. Maar het is zeker geen must voor mijn geluk.”

De laatste jaren is er een toenemende vraag naar grotere stukken voor particulieren; keukens en slaapkamers op maat. Maar de grootste moot klanten situeert zich in de luxueuze hotelketens. Bulgari, Mandarin Oriental, Ritz, Hyath en Four Seasons om er enkele te noemen. Ze doen overwegend een beroep op Terry voor hun “table topping”: asbakken, pepermolens, dienbladen, chopsticks, … Voor een resort van de One & Only keten op de Malediven ontwierp hij een kaviaarbar en zo haalde hij recent een opdracht binnen voor het exquise Kempinski hotel in Tanzania. Hij mag er de hele 8ste verdieping aanpakken. De bar en het restaurant ontwerpen naar zijn smaak. Tot de uniformen van de diensters toe. Hij glundert als hij het vertelt. “De general manager stuurde me een mail. Dat ze in zijn hotel de ‘wauw’– factor missen. En of ik daar iets zou kunnen aan doen… Als ik dit tot een goed einde breng, zijn we definitief gelanceerd. Ontwerpen is het liefste wat ik doe, maar mijn business bestaat totnogtoe voornamelijk uit productie. Dit zou de droomkentering kunnen zijn.”

Uiteraard zou Terry ook kunnen kankeren. Over het werktempo van de Balinezen. Over het gebrek aan infrastructuur. Over de slechte wegen. De loslopende viervoeters in het verkeer. Over de hitte. Over de prijs van een goede fles wijn. Over de ware aard die schuil gaat achter al die lachende Indo gezichten.
Vele, in Bali gesettelde westerlingen mokken voortdurend. Westerlingen met kasten van huizen, blijkbaar riante bankrekeningen en al dan niet een prachtige en dienstbare ‘femme Gaugiun’ aan hun zijde, sluiten zich liefst op in hun pronkerige ommuurde burchten. Ver weg van de exotiek waarvoor ze jaren geleden het eiland uitkozen als verblijfsplaats. “Bali is Bali niet meer”, jammeren ze. En ze hebben een punt. Tien jaar geleden kon je op het paradijselijke eiland een immense villa leasen –kopen was toen nog onmogelijk voor buitenlanders – , nu krijg je voor hetzelfde geld met moeite een hut. En er waren natuurlijk ook de bommen van extreme moslims die een schaduw over het olé-olé gevoel wierpen. Maar daar zijn nu vooral de Balinezen die ooit de rijstvelden voor het toerisme inruilden de dupe van. “Na die eerste bom is het nog vrij snel goed gekomen”, vindt Terry. “Iedereen dacht: die bom hebben we gehad, we zijn veilig nu. Ook toeristen dachten er zo over . Maar als er dan zo’n tweede aanslag komt, zit de schrik er natuurlijk goed in. In 2006 is de retail in Bali met 70 procent gedaald.”
Al merk je daar in eerste instantie weinig van, op een doordeweekse dag in badstad Kuta. Op het strand lijkt het aantal toeristen dat zich laat roosteren onverminderd. Het aanzicht van al dat aangebakken strandvlees doet duizelen. Maar in de hippe clubs waar je voor de bommen over de hoofden kon lopen, kan er nu gerust nog een paar honderd man bij. Weinig volk ook in de boetieks die de badplaatsen met elkaar verbinden. En toch: men blijft lustig hotels neerpoten. En tempels ook. Ze geloven het zonder twijfel echt, de Balinezen, dat hun dagelijkse bewierookte offers terug voorspoed zullen brengen.

“Klagen? Ik zou niet durven”, zegt Terry fel. “Ik ben niet vergeten vanwaar ik kom en besef iedere dag dat ik met mijn gat in de boter ben gevallen. Tegenwoordig kunnen we hier zelfs malse biefstukken bakken.” Carrefour heeft recent een warenhuis geopend in het gebombardeerde Kuta. Iedereen praat erover. En iedereen gaat zien. De kolonialen slaan er kaas en wijn in. De Balinezen trekken hun beste kleren aan voor een familie-uitstap naar de supermarkt. Files om de parking op te rijden. Het lijkt wel een pretpark.
“Of je het hier goed hebt, hangt vooral af van je eigen ingesteldheid”, vindt Terry. “Het lijkt allemaal heel exotisch, een leven hier, maar het vergt toch een bepaalde houding. Zeker als je wil ondernemen. Het opleidingsniveau van de lokale arbeiders is niet te vergelijken met de vorming zoals we dat in België gewend zijn. En: Balinezen hebben een ander tijdsbesef. Als je hen vraagt ‘kun je dat arrangeren tegen morgen’, zullen ze breed glimlachend en overtuigd ‘ja’-knikken. Maar morgen is voor hen evengoed overmorgen. Of volgende week, of zelfs volgende maand. Je kunt je daaraan ergeren. En je blijven ergeren. Of je kunt er voor een stuk in meegaan. Het is een evenwichtsoefening. Het belangrijkste is: zelf gedisciplineerd blijven. De focus niet verliezen en vooral de taal spreken. Ik wil met iedereen kunnen communiceren. De sociale contacten zijn sowieso al gelimiteerder dan bij ons, dan doe je er toch alles aan om jezelf niet te beknotten?”
Dat hij dat absoluut niet doet, blijkt snel. Het is een komen en gaan in zijn huis. Van excentrieke dorpelingen met goesting in een vodka, van Hollanders met een Balinese activiteit of Javaanse vrouw, van werknemers op zoek naar een internetverbinding. Van verdwaalde honden ook. En niet in het minst van Cayanti’s halve familie.
Cayanti is al jaren de vrouw in zijn leven. Ze vond hem maar een rare ‘kwiet’ toen ze hem ontmoette. “Hij zag er helemaal niet serieus uit. Op een dag heb ik toch ingestemd voor een etentje, maar ik heb ik mijn hele familie meegenomen. Je moest zijn gezicht zien”, lacht ze. Ondertussen is hij eraan gewoon geraakt. Als je met een Indonesische vrouw leeft, trouw je haar hele familie.
Waarom zoveel blanke mannen op Aziatische vrouwen vallen, is voor Cayanti duidelijk. “Wij zijn opgevoed met de idee dat je de man op een voetstuk moet plaatsen. Dat hij altijd gelijk heeft. En dat je hem moet volgen. Hoe dan ook.” Cayanti zaagt niet als Terry er op uit trekt op vrijdagavond om pinten te drinken met ‘het Belgisch elftal’. Cayanti zaagt nooit. Zolang hij maar terug naar huis komt. Al is het de volgende dag.

“Kom mee”, wenkt Terry, “ik toon jullie m’n bureau.” We springen op z’n brommer, rijden langs de gifgroene rijstvelden. De dorpelingen zwaaien, zoals men wuift naar een voorbijrijdende pausmobiel. En dan opeens een zwart verlaten strand. Palmbomen en woeste golven. Terry springt op zijn surfbord en zegt: “ik ga een beetje werken nu.”

Eten met stijl

Posted in Uncategorized by singajo on maandag, 21 juli, 2008

Andy slurpte en slokte zijn noedels naar binnen alsof hij in geen maanden had gegeten. Het was nochtans met moeite ander half uur geleden dat hij met even veel gulzigheid een calorierijke “curry puff” had verslonden bij zijn voormiddag cappuccino van 11 uur.
Dat slurpen was iets waarvoor hij zich niet schaamde, hij praatte zelfs tussen het slurpen door waardoor het noedelvocht tot in mijn aangezicht spatte. O wee had mijn moeder naast hem gezeten, die had hem beslist op de vingers getikt voor al dat onsmakelijk lawaai en aanverwant gespet. Maar hier slurpt en slokt iedereen dat het een lieve lust is. Hier eten de mensen alsof ze een waanzinnige hongersnood hebben doorstaan. Ze hangen met hun hoofd in hun bord en schrokken een –ik zeg maar iets – fried rice of won ton noodle soup in minder dan vijf minuten naar binnen. Gezellig, zo gaan lunchen met Chinese klanten. Je weet dat de marteling nooit lang zal duren. Ook al staan er 37 plats op tafel.
We zaten in een populaire Chinese food keten, nadat we een half uur in de file met hongerige medemensen hadden gestaan. Andy, de man met de blokjes op de tanden die er met moeite 16 uitzag maar toch al zes manden vader was van Joshua, bestelde drie soorten gebakken rijst, twee noedelschotels, een bord gelakte eend en nog 35 dim sums. Ik kreeg al een indigestie toen het eten nog maar op tafel kwam.
Toen Andy – ik vind dat trouwens een rare naam voor een Chinees maar dit terzijde, zo begon te slurpen, was een lachkick nabij, doch heb ik mij kunnen vermannen door me te concentreren op het klemmen van een stuk eend tussen twee stokjes. Tot mijn eigen frustratie ben ik nog steeds geen held in het fatsoenlijk gebruik van chopsticks.
Maar sinds de lunch met Andy wel een aanhanger van slurpend noedels eten. Het ziet er niet uit, al die voorover gebogen gezichten met uit de mond puilende slierten deegwaar, maar eigenlijk is het fantastisch! Ik heb me overgegeven en mee geslurpt dat het een lieve lust was. Wat een sensatie. Terug kinderlijk aan de tafel! Alsof ik de allereerste keer spaghetti at. In het Westen moet je wachten tot je dement bent om op die manier zonder afkeurende blikken van een bord noedels te genieten. Hier is het eten met stijl!

Stempeltje halen

Posted in Uncategorized by singajo on zaterdag, 19 juli, 2008

Het komt binnen afzienbare tijd allemaal wel goed. Mijn koloniaal is er van overtuigd. Hij is, als mijn hopelijk toekomstige werkgever bij wie ik al anderhalf jaar vrijwilligerswerk doe en een ondergedoken leven leid, zojuist uitleg gaan vragen op het ministerie aangaande de weigering van m’n employment pass en ’t zou te maken hebben met een of ander artikel bis. Een administratieve stommigheid in ieder geval. Er heeft hem daar een mevrouw geadviseerd om in beroep te gaan met een gepeperd schrijven. Want eigenlijk is er geen enkele reden waarom ze me kunnen weigeren. Dat vond zij ook, al kon zij er helaas zelf niets aan veranderen want zo zit dat nu eenmaal met ambtenaren.

In afwachting van een positieve uitkomst op het gepeperd schrijven, rijden we straks met onze oude scooter naar Maleisië. Vandaag moet er namelijk een verse stempel in mijn passpoort en het is de laatste dag dat het kan. Zaterdag is de heldag om naar Johor te rijden. Singapore zit vol met werkers uit Maleisië, die in het weekend naar vrouw en kinderen terugrijden. Het is soms uren aanschuiven in de bakzon, in een walm van uitlaatgassen aan de grenspost. Zeker sinds de controles zijn aangescherpt na de ontsnapping van Selamat, de man die Singapore wilde opblazen. Ze kijken tegenwoordig zelfs of hij niet in je rugzak zit.

Maar we maken er een uitstapje van. Iets voorbij Johor is er een zielige kuststreek waar je heerlijke krabben kunt eten in een moslimdorp waar er mij eens een man heeft bekeken alsof ik kwam recht uit de hel. We gaan slecht gekopieerde dvd’s kopen in de grensstad en goedkope sigaretten roken bij de fontein. We gaan een Tiger beer drinken op de stoffige boulevard en ik zal ondertussen angstzweet krijgen bij de gedachte aan onze terugkeer. Ik zal hopen, bidden ondanks mijn ongeloof, dat het een mannelijke immigratieofficier zal zijn die me een verse stempel moet geven want met vrouwelijke uniformmadammen heb ik doorgaans last. Alsof ze denken: “Als die hier blijft kan geen van ons haar vent inpalmen.”

Tot nu toe is het op een keer na vrij vlot gegaan en kan ik mij altijd wel uit te lastige vragen babbelen. U moet weten, die mensen in hun stempelkot doen ook maar hun werk en in hun opleiding gaat veel aandacht naar het traceren van gediplomeerde visarunners zoals ik. Daarom maken we bij voorkeur een weekuitstap van zo’n visarun. Dan gaan we naar de bootwerf in Bintan, of naar ons favoriete vissersdorp in Sumatra, of naar Kuala Lumpur of Saigon. Maar dit keer moeten we vandaag nog terugkomen, we hebben een pak opdrachten dat klaar moet zijn eind volgende week want dan komt mijn broertje en dan willen we vakantie nemen om hem een stukje van Zuidoost Azië te laten zien.

Als ze mij vanavond tenminste terug binnenlaten met de juiste 30 dagen stempel. Als het slecht gaat, krijg ik een rode en moet ik binnen de drie dagen het land verlaten. Duimen dus. Dat daar straks een vriendelijke jongen zit, die geen zin heeft om lastig te doen maar die gewoon denkt: “Ach, de zon schijnt, het is zaterdag en dat meisje, die mag hier nog wel een maandje blijven van mij.”

Dagen zoals deze zijn ondanks alles best wel spannend.

Waarom het leven niet mooi is vandaag

Posted in Uncategorized by singajo on vrijdag, 18 juli, 2008

Omdat ik daarnet, ondanks de pijnlijke spierverrekking in mijn kuit, vol enthousiasme naar de brievenbus liep om daar met nog meer enthousiasme een brief open te maken waarvan ik dacht dat de inhoud alleen maar positief kon zijn. Maar het mocht niet zijn. Geen employment pass. Alweer geweigerd. Morgen weer een maandelijkse “visarun”, zoals dat heet. Doe ik ondertussen al een jaar en vijf maanden. Tegen wil en dank toerist. Er zijn ergere dingen. Maar toch… 

Een raar zicht

Posted in Places where nobody goes by singajo on donderdag, 17 juli, 2008

Naast de pier stond er zo een mobiele wc cabine in fel blauw. En die cabine was op slot. Er speelden enkele kinderen met een plakwaaier op het smalle strand en op de pier stond een douanehok. De zeestrook was zo’n kilometer breed en aan de overkant zag je een heel bos fabrieken met hoge torens waar vuur uit kwam. De overkant was Maleisië, ik stond in Singapore en het was zondag.

Enkele mannen gooiden van op de pier hun vislijnen in het water, een oude man verkocht gekoelde drankjes die je zelf uit een bak vol ijs kon graaien terwijl hij z’n hand onder je neus duwde om de centen te incasseren. Hij stond te midden van de doodlopende straat aan het einde van het eiland. Er kwam nu en dan een auto aangereden, mensen stapten uit, keken verveeld naar de overkant en reden weer weg. Er kwam een politieagent uit het douanehok en hij liep naar de blauwe wc cabine, hij stak zijn sleutel in het slot, opende de deur en verdween. En dan die lijnbus die stopte, de deuren zwaaiden open maar er stapte niemand af. Er stapte evenmin iemand op. Er gebeurde niets. De bus bleef staan.

Ik zat op een muurtje naar de zee te turen, te denken aan de afgrijselijke appartementblokken die we net waren voorbij gereden. Ponggol heeft absoluut niet de allures van een vakantieparadijs. Ponggol lijkt het zielige einde van de wereld, met honderden kille betonnen  woonblokken. En veel lege grasvelden ook. Door die desolate grasvelden rijdt de futuristische skytrain, hij stopt aan de stations die neergeplant zijn in het niets. Nu nog in het niets, over enkele jaren zijn die velden ook straten. Straten vol met nog meer van die griezelige woonblokken. De skytrain rijdt in tussentijd oefenrondjes in wat ooit de grootste slaapstad van het eiland wordt.

De flik had ondertussen gedaan met zijn toilet, de cabine bewoog een beetje toen hij naar buitenkwam. “Zou hij ook in zo’n blok wonen?”, vroeg ik me af terwijl ik naar hem staarde. De manier waarop hij het toilethok weer afsloot was nogal opvallend en met veel lawaai. Alsof hij iedereen wilde laten zien dat hij  status had. Trots op zijn wc sleutel. “Als jij moet pissen, moet je in de struiken gaan”, leek hij hooghartig te denken toen hij zag dat ik naar hem keek. Inbeelding misschien, maar ’t was wel een raar zicht.

Tagged with:

Ondertussen op ons dak

Posted in Uncategorized by singajo on woensdag, 16 juli, 2008

Dag meneer de Koning,

Gaat alles goed met u en met uw op springen staande koninkrijk?

Gisteren had Peter Vandermeersch me in hoogst eigen persoon een newsflash doorgestuurd met de boodschap dat de schapenherder (of is hij geitenboer?) zijn ontslag had aangeboden.

Heeft u zijn aanbod aangenomen?  U moet weten meneer de Koning, ook in het verre Singapore was deze staatskwestie gisteren het gespreksonderwerp van de dag. Niet bij de Chinezen uiteraard, maar wel bij een select clubje Belgen dat vreest dat het buiten eigen wil om misschien nooit meer naar zijn eigen vaderland zal kunnen wederkeren omdat dat land misschien niet meer zal bestaan. Dat is op zijn minst een zorgwekkende kwestie, maar evenzeer een lachwekkende zo bekeken van op een dak in Singapore. Gisteren werden hier trouwens enkele slimme opties op tafel gegooid die uw kroon eventueel zouden kunnen redden. Maar wilt u die kroon eigenlijk nog wel? Dat moet nogal wegen op uw mensenhoofd. En als België uiteenvalt hoeft er bovendien niemand meer te vrezen dat uw oudste echtelijk kind de taak ooit van u overneemt. Voor veel mensen zou dit een zorg minder zijn. Misschien ook voor u. En de geschiedenis ingaan als de laatste vorst van een jong gestorven natie kan natuurlijk ook wel tellen.

Begrijp me niet verkeerd. Ik ben een trotse Belg en van mij mogen U en uw land, dat ook een beetje het mijne is, gerust blijven. Maar het ziet er niet goed uit als ik een van onze tafelgasten mag geloven. Ik kan u de jonge man in kwestie trouwens aanbevelen als consultant. Misschien kan hij uw vorstendom uit de impasse halen want hij is een meester in het op de rails zetten van slabakkende bedrijven in binnen- en buitenland en hij heeft hier gisteren een aantal opties, uw bedrijf betreffende, uit de doeken gedaan die een goede kans op slagen hebben.  

U moet ook nog weten dat ik gisterenavond in een nostalgische bui was daar een van de gasten, die net uit België was wedergekeerd een pakje voor me bij had. Weet u wat daar instak? Zes schattige koffiekopjes van het Atomium. Zo zaten wij ons hier dus zorgen te maken over ons land terwijl we bittere koffie dronken uit die Brusselse tasjes.

Het is allemaal zo dubbel meneer de Koning. Enerzijds heeft al die Belgische miserie ervoor gezorgd dat de mensheid al een beetje beter weet waar uw stipje zich bevindt op de wereldkaart. Meer zelfs, men vraagt nu meteen: “Are you Flemish or French?” Tot voor een jaar zou er niemand deze intelligente vraag hebben afgevuurd. Nu vraagt zelfs de parkeerwachter van de Cold Storage welke taal ik spreek. En nu komt het: als ik met enige trots zeg dat ik uit de Vlaanders kom, denkt men hier dat ik een aanhanger ben van die eikel van het Vlaams Belang. Ze kennen zelfs zijn naam! Dat is toch onvoorstelbaar?!

Deze ochtend stak er nog een bericht uit België in mijn mailbox. Ik citeer;

Het is echt schandalig wat in dit land aan de hand is : Walen en Vlamingen schijnen maar geen toegevingen te willen doen, geen van beide kanten,  zodat alles op de spits wordt gedreven en er ondertussen echt wel grote sociale problemen in dit land heersen.  Ik vind dat echt degoutant en op een dag ga ik de politiek in om alles beter te maken.

Ik ben er van overtuigd dat deze vrouw het meent. Zal ze een kans krijgen? Of legt u deze avond nog een bom onder uw paleis?

Met vriendelijke, doch bezorgde groet,

SJ.