Singajo's world

Mister Lim is triest

Posted in Uncategorized by singajo on zaterdag, 31 mei, 2008

Onze huisbaas mister Lim had tot voor een maand een unieke handel in Honda onderdelen op het gelijkvloers van ons dak. Mister Lim lag daar altijd in zijn duister bureau in een lederen relaxzetel te slapen. Terwijl zijn assistent de weinige telefoons beantwoordde en een bejaarde man, ietwat simpel van geest, de planten water gaf en fletse koffie’s ging halen in de foodstall aan de overkant van de straat. Soms zag ik die oude man ook balanceren op een ladder in het magazijn op zoek naar een zeldzaam Honda onderdeel. Mister Lim die van onschatbare leeftijd is wegens geplastificeerd gezicht en zwart geverfde haren, schrok zich altijd een beroerte als ik hem uit z’n dromen haalde om het een of andere ongemak te melden. Zijn Engels is mogelijks nog slechter dan het mijne en dikwijls stonden wij maar wat te knikken naar elkaar zonder te weten wat de andere nu juist had gezegd. Zo stond hij hier eens met een lekkendichter naast mijn bed terwijl ik hem aan het verstand had willen brengen dat de liftdeuren veel te snel sluiten. 1 keer op twee zat ik er namelijk tussengeklemd, naar adem snakkend en mijn beste hulk-kwaliteiten bovenhalend voor een tijdige verlossing.

Ondertussen hebben wij wel een soort van communicatie ontwikkeld met veel gebaren en weinig woorden en dat gaat heel goed. De liftdeuren zijn vriendelijker tegenwoordig en dankzij onze doeltreffende omgang had Mister Lim me vorige week kunnen duidelijk maken dat hij stopt met zijn handel. Geen slechte financiële beslissing want als hij om de drie maanden 1 stuk verkocht kreeg, was dat al veel. Maar het afscheid valt hem zwaar. Hij zit nu al weken in zijn lederen fauteuil  met de deuren wagenwijd open te staren naar zijn leeg magazijn. Wellicht maakt hij zich ook zorgen over de nakende toekomst. Gedaan met zijn dagelijkse slaapuitstappen naar de office, de babbeltjes met buren en priesters en monikken en theekransjes met vrienden en de lunchpauzes aan de overkant van de straat. Ook dat hij nu niet meer toevallig naast de lift kan staan de laatste dag van de maand om ons huurgeld persoonlijk en chequegewijs te incasseren speelt wellicht mee.  Ik kon er maandelijks mijn hoofd op verwedden dat mister Lim daar toevallig zou staan, op de roze vloertegels van het gelijkvloers, met zijn neus in de electriciteitskast want de laatste dag van de maand op het tijdstip dat ik de eerste keer afdaalde was er steevast een toevallig mankement.

Binnenkort zit hij opgesloten bij moeder de  vrouwe in hun beslist ongezellige hdb-flat. Mister Lim heeft geld geroken en geld is uiteindelijk belangrijker dan een aangename financieel verlieslijdende oude dag. Mister Lim zal binnenkort iedere dag zijn geld tellen aan de keukentafel en gaan shoppen met zijn vrouw. Mister Lim heeft nu al ruzie met mevrouw Lim omdat zij wou dat hij het pand verhuurt aan Indiers die er een veggie restaurant willen openen maar hij meer (dollartekens) zag in de verhuur aan een bende crapuul die hier beneden ons dak een disco wil beginnen! Ik stond perplex toen hij het zei. Chinese disco’s dat zijn karaokebars waar vals gezongen wordt en men tonnen wiskey drinkt terwijl men onder de rokken voelt van de meisjes die er werken. In van die keten zie je alleen maar venten binnenwandelen als u begrijpt wat ik bedoel. “Yes, yes, nightclub. Dancing. Music. Fun. They wanna pay me  lot of money”, waarbij hij de klemtoon nadrukkelijk legde op “lot”. “I see”, slikte ik. En ik zag al hele taferelen voor me van Chinezen in copulatiehouding met geminirokte meisjes in ons liftportaal, of in de lift zelf, nog beter. Ik hoorde het karaokegekweel al tot boven en ik dacht: shit. ’t Is hier gedaan met ons schoon leven.

Maar lang leve mevrouw Lim dus die haar haar veto heeft gesteld. Anything but a nightclub. Ze vreesde misschien dat haar man daar met te veel plezier het huurgeld zou willen incasseren tijdens de laatste minuten van de maand en dan pas uren later, zonder geld en met twee meisjes aan zijn armen, de weg  naar huis terug zou vinden.

Mister Lim zat in zak en as toen hij  toegaf dat hij had moeten luisteren naar de vrouw en hij jankte bijna toen hij bekende : “I don’t like veggie me like pig.”

Advertenties

Skypen met ma en pa

Posted in Skype by singajo on donderdag, 29 mei, 2008

Mams is niet zo vertrouwd met computers. En ze slaat altijd in paniek als de pc vraagt of ze de verbinding moet verbreken of behouden. “Jef! Jef!”, roept ze dan naar mijn vader, “dat ding wil hier iets van mij.” En dan zie ik pa verschijnen met een pet op zijn hoofd. Hij sleurt dan de koptelefoon van moeders hoofd en zegt tegen mij:”doki gij schrijft geen Nederlands maar Vlaams. En het is geen stoefertje maar een lefdoekje. En let vooral op de stamtijden van slaan en slagen! Jaaa Paaaa.” En dan gaat hij er vandoor en dan vraagt ma hoe warm het hier is en dan zegt ze dat het in Dubai veel warmer is, 42 graden, en dat weet ze omdat de dochter van de buren daar woont en de buurman iedere ochtend een “druppeltje” komt drinken en ze dan samen babbelen over hun ‘kinders’ in het buitenland.

Moeder vond vandaag dat ik toch wel eens iets aan mijn haren zou moeten doen want dat het weinig gepast is om op mijn leeftijd (!) nog van dat lange wilde haar te dragen. Liever zou ze mij zien met een deftig coupe carréke en ze heeft alweer gepoogd om mij te overtuigen van de kwaliteiten van zo’n net kapsel maar ze is daar tot haar groot gezucht niet in geslaagd. En dan verschijnt pa weer in beeld met een megagrote en blitse zonnebril op zijn hoofd en dan roept hij: “Wa vind ge van mijnen windbril ? Sympie heeft hem meegebracht uit New York!” En dan zeg ik dat hij er uitziet als een ruige rockster en dan kijkt hij als een fiere gieter en dan zegt mijn moeder streng: “Jef doe dat gevaarte van uw hoofd. Ik ben daar helemaal niet wild van.” En dan doet pa die bril af en dan zie ik dat hij nog een andere zonnebril onder die ene aangeeft en dan vraag ik: “waar is dat nu voor nodig?” En dan zegt mijn moeder: “voor de show.” Mijn vader verdwijnt dan weer en dan vertelt moeder over Poes, haar gedrilde kat, en dat die poes nu op dieet is en dat ze maar 1 portie regimekorrels per dag krijgt en dat ze al veel vermagerd is, doch nu last heeft van veel te veel  uitgerokken buikvel dat haast over de vloer sliert als poes zich verplaatst. Dan komt pa weer binnen en dan vraagt hij of ik het “verdriet van Belgie” al heb gelezen en dat hij denkt dat dit geen boek is voor mensen jonger dan vijftig maar dat het wel goed is en dat hij vandaag het gras zal afrijden want dat het er het weer voor is.  En dan valt opeens het beeld uit in Lembeke en dan schreeuwt mijn moeder:’Jef! Jef! Ze is weg. Waar is ze? Hallo Hallo? IK zie niets! Jef! Jef! Ze is weg.” En dan zie ik wel hoe mijn vader aan de computer staat te prutsen en vloekt terwijl mijn moeder bijna met haar neus in het scherm plakt en het beeld weer aanschiet en ze opgelucht en enthousiast roept: ”Aha! Daar ben je weer, we waren u kwijt.”

Vader zie ik op de achtergrond in zijn bibliotheek neuzen maar hij is niet op zoek naar een boek maar wel naar zijn walk-man en zijn digitale camera want hij wil gaan fietsen en dan luistert hij terwijl hij trapt naar discusieprogramma’s op de radio en soms stopt hij langs de Vlaamse wegen om een foto te nemen van een schone boom of een raar huis zodat hij dat aan moeder kan tonen bij thuiskomst en dan heeft ze precies het zelfde ritje meegemaakt. Hij vindt zijn camera niet en verlaat mompelend zijn bureau en mijn moeder begint enthousiast te vertellen over hun reis naar Frankrijk, doch dat het jammer was van het weer want dat dat weer slecht was terwijl het in Belgie de voorbije weken zo prachtig was geweest. En dan vraagt ze hoe het gaat met de koloniaal en dan zeg ik dat ik hem ga roepen en dan zegt zij: “neen neen mijn haar is niet gekamt!”, en dan staat de koloniaal daar en dan is mijn moeder heel blij want ze kijkt graag naar de koloniaal. En dan zegt ze dat ze hem een T-shirt had willen kopen in “Le Palais Ideal” van Ferdinand Cheval maar dat ze alleen nog kleine maatjes hadden en ze dan maar eentje heeft gekocht voor Noah met wie ze volgende week maandag naar Plopsaland gaan en dat Noah heel hard uitkijkt naar die dag. En dan zegt de koloniaal saluut en tot de volgende keer en als hij weg is zegt ze dat ik toch wel een charmante man heb en dat ze begrijpt dat ik voor hem naar hier gekomen ben. En dan roept ze: “Wie is er daar??” En dan hoor ik in de verte een stem en dan roept moeder: “Kareltjen! Kareltjen, kom ne keer goeiendag zeggen tegen mijn dochter” en dan smeek ik: “neeeeeen ma, neeen ik heb daar nu geen zin in” en dan staat Kareltjen daar opeens en dan weet ik niet wat gezegd en dan gaat mijn moeder even weg en poog ik een gesprek met een van de buren en dan komt vader terug binnen met zijn fietsattributen ter hand en begint hij met Kareltjen te praten over de koers  en dan komt moeder terug binnen en en zegt ze  dat ze mij moet laten want dat ook nonkel stefan is binnengekomen en dat het trouwens tijd wordt dat ze aan de soep begint en dat het vandaag tomatensoep met balletjes is zoals meme kaprijke die vroeger maakte en dat ik er toch eens moet over nadenken om mijn haar te knippen en dat het nu al de derde sigaret is die ze me ziet roken tijdens ons gesprek en dat ik er moet mee stoppen want dat ik heel veel rimpels ga krijgen en kanker en andere ziekten en dat sigaretten stinken en dat ik mezelf om zeep help en dat dat heel heel dom van me is maar dat ik wel een schatje ben. Daaag tot de volgende keer. 

Altijd grappig, zo skypen met ma en pa.

Slik

Posted in Heimwee by singajo on maandag, 26 mei, 2008

De telefoon rinkelt 1 keer.

En dan, zoals wij het als kind ook hadden geleerd van ma en pa, doch ondertussen al lang niet meer praktiseren in de dagelijkse realiteit, zegt mijn neefje goedemorgen gevolgd door zijn voor- en achternaam en vraagt hij:

“Met wie spreek ik alstublieft?”

“Dag Noah”, begroet ik enthousiast.

“Dag”, antwoordt hij droog.

“Nootje? weet je niet wie ik ben?”

“Neen.”

“Je doet er om. Denk eens goed na.”

“Ik weet het niet.”

“Notebrood doe niet zo flauw.”

“Tante Joooo?!”

“Jaaaa. Wist je dat dan echt niet?”

“Neen. Ik ben je stem vergeten.”

De genezer van plastiek en leder

Posted in Kuala Lumpur by singajo on donderdag, 22 mei, 2008

Over de kwaliteit van de reparatie kan ik nog niet veel zeggen. Ik draag ze pas terug. Maar een goede ziel in KL vond het toch en in ieder geval de moeite om er geld uit te slaan. Ik kon de man wel omhelzen van blijdschap, doch in Moslimlanden is dat niet wat men noemt een aanvaard sociaal gebruik. Dus hield ik me koest.

Twee weken geleden had ik ze naar de schoenmaker in Singapore gebracht en de man met zijn zuur gezicht keek naar de zolen vol gaten en snauwde: “Can not.” Ze zijn doorgaans van weinig woorden, die Chinezen. Mijn wereld stortte een klein beetje in, de witte laarsjes die destijds op me stonden te wachten in het Gentse Pieternel waren ideaal en in oorsprong waterdicht werkschoeisel waar ik geen zweetvoeten in kreeg, noch blaren of andere ongemakken. Ik droeg ze zomer en winter, ’s ochtends en ’s avonds.

Ik kon het niet. Ze weggooien na al die tijd trouwe dienst, dus lagen ze zacht weg te kwijnen op de autobank. Maar zie, alweer was er een reden om KL uit te roepen tot fantastische stad: je vindt er straatschoenmakers die nog een ultieme poging willen ondernemen. Zonder veel tralala, maar met zachte toewijding. De Goede Ziel behandelde mijn lievelingen alsof ze waren van goud, hij plakte ze, voorzag ze van een nieuwe, dikke zwarte antislip zool, naaide ze met dikke naald en rode draad en klopte er minzaam op met een hamertje. Meer moet dat niet zijn. Tijdens de reparatie werken had ik ruim de tijd om de een of andere toeristische bezienswaardigheid te gaan bezichten, even overwoog ik, maar uiteindelijk bleef ik, verlamd door de hitte staren naar zijn gezwinde kunsten, naar volk van allerlei slag dat schoenen in blauw, wit en groen kwam aandragen, vertrouwend in de de genezer van plastiek en leder, in de man die zijn dagen slijt op een stuk karton in het kleurrijke hart van KL’s Little India.

Het sizzling Coliseum

Posted in Kuala Lumpur by singajo on donderdag, 22 mei, 2008

De exploratie van de stad Kuala Lumpur is door een onvoorziene omstandigheid een beetje mislukt. Het hotel waar wij verbleven bleek namelijk voorzien van een rokerig hol  waar mensen zoals ik nogal graag blijven kleven. Aan de toog dan. Onderwijl genietend van het aftandse interieur, de kleurrijke melange van habitué’s en verdwaalde wereldreizigers. Daarbij nippend van gekoelde glazen Chileens wit. In KL is het zowaar nog zwoeler-heet dan in Singapore. Dorst krijg ik daarvan. En na de dorst komt de nostalgie. De geuren die uit de keuken kwamen gewaaid, deden denken aan het restaurant in la douce France van wijlen nonkel Ton en tante Lou. Het gerinkel van de telefoon aan telefoons die niet meer bestaan, de slordig geschikte salonzeteltjes aan bars die je zelfs in Brussel niet meer vindt en toen de receptionist – een verschrompeld mannetje met viriele ogen, die van de rechter tooghoek de receptie had gemaakt -, het gastenboek bovenhaalde was het antieke gevoel compleet. Een mastodont vol handgeschreven namen, nationaliteiten en tot de verbeeldingsprekende professionaliteiten. Een boek dat al decennia meegaat, waar je in bladert op zoek naar een vriend of verwant die deze plaats ook genoten heeft. Ik zat daar verknocht op mijn barkruk, genoot van le tableau vivant en de tijd stond stil. Terwijl hij in wezen voorbij vloog.     

Stoffig en vibrant. Dat is het Coliseum. De voorbije vijftig jaar vonden de eigenaars  het onnodig om ook maar iets aan het interieur te veranderen. Sommige obers strompelen er trouwens al meer dan 40 jaar rond. Alles is er vergaan. Ook de glorie. Twintig jaar geleden kon je er van horen zeggen nooit een kamer krijgen wegens immer volboekt. Nu hadden we keuze zat. Iedere optie even versleten, met krakende kastdeuren en wiebelende ceiling fans, vergeelde lakens en een aan de lavabo klevend stuk gebruikte zeep. Ziel quoi. Douchen moest op de gang. In het zelfde hok waar de wasvrouw de lakens proper wrijft. En over de oude vloeren lopen van de semi openlucht corridor, langs wapperende gewassen servetten, met op de achtergrond het geroezemoes van de onderliggende hotelbar was een sensatie op zich.

Zo geschiedde dat ik mijn eerste dag in KL doorbracht aan de toog van een instituut. Zo kwam ik tot de vaststelling dat ik nooit een goed reisreporter zal worden. Omdat ik slecht ben in lijstjes afwerken, monumenten bezoeken en propere hotels bespreken. Liever laat ik me opslorpen door 1 plaats waar het onvergetelijk vertoeven is, een plaats die het gevoel geeft dat je de sfeer kunt extrapoleren naar de hele stad. Relaxed. Kuala Lumpur en zijn mensen zijn zo relaxed. Open en vriendelijk. Na lange tijd in Singapore was deze plek een verademing. Ik heb het graag echt. En onafgelikt. Met mensen die houden van lachen. En die niet vragen hoeveel je schoenen hebben gekost.

 Wat ik wel kan zeggen voor degenen die in dit schrijven  een reizigerstip menen te lezen: als u het vooral begrepen heeft op slaaprijke nachten is dit geen plek voor u. De  ceilingfan brengt geen gram verfrissing. Het is ijlend de nacht doorkomen in het oorverdovende gezelschap van zwarte, kraaiende vogels zonder slaapmanieren en met hun ontmoetingsplaats in de boom naast het hotel. The birds in overdrive.

Ook als u een vroeg ontbijt met geurende espresso, vers sap en weelderig broodbeleg een prioriteit vindt voor een geslaagd verblijf: wegblijven. Voor negen uur kunt u er niet terecht, kunt u ook het hotel niet uit behalve via de eetzaal  – die nog vol staat  met onafgeruimde, aangekoekte borden en waar het geurt naar een bruin cafe in de ochtend voor de kuisploeg is gepasseerd – langs de keuken waar men naarstig de schotels wast om zo via de achterdeur met verradelijk opstapje de stad in te gaan op zoek naar een eerste koffie van mogelijks bedenkelijke kwalteit. De tweede dronken we in het Coliseum, gezeten tussen de laatste vuile schotels, de luiken nog dicht, halfnaakte obers die door het hotel paradeerden in afwachting van een beschikbare douche, het oude verrimpelde mannetje met de viriele ogen in een hoek verzonken in het geschreven nieuws, en op de achtergrond nog steeds die kraaiende vogels. De ontbijttoast was zo onsmakelijk dat hij uiteindelijk wel smaakte, zonder dank aan verdoezelend beleg want dat was er niet. Als u van de mensensoort bent die dit type details te verwaarlozen vindt: zeker langsgaan.

Al was het maar om te proeven van de famous sizzling steak die de eetzaal in vettige rook zet, al was het maar om te beseffen dat er nog plaatsen bestaan waar de tijd stil blijft staan.     Of toch niet helemaal: u kunt er reeds betalen met visakaart, al is het de vraag of je die wel bovenhaalt om een kamer van 38 ringgit te betalen.

Uit lang vervlogen tijden

Posted in Uncategorized by singajo on maandag, 12 mei, 2008

Voor de niet bloggers onder u: bloggers geven soms stokjes door. Dan schrijf je iets in semi-opdracht. Zoiets. Ik kreeg ook een uitnodiging van deftige dame Nel van de Orde van de douchekapjes: drie herinneringen uit mijn eerste levensjaren. Hier zijn ze:

Pietertje

Pietertje en ik waren drie jaar en zaten samen in de kleuterklas bij zuster Emma. Zuster Emma was een klein dik nonnetje met een grijze kap op haar ronde hoofd. En op haar kin stond een grote wrat met twee lange, grijze haren. Een beetje zoals bij de heks uit een sprookjesverhaal. Zuster Emma was stokoud. Of dat dacht ik toch. Toen al vroeg ik me af af ze niet beter met pensioen zou gaan.

Ze waggelde als een moedereend door de klas en kon de dertig kleine eendjes moeilijk te baas. Alleen als ze ons het een en ander probeerde bij te brengen over kindeke Jezus genoot ze enige aandacht van haar kroost. Dat kwam omdat ze die lessen “interactief” maakte. In die tijd al! Vooraan in de klas stond een groot groen vilten bord. Ze had alle figuren uit de bijbel in de gedaante van kleurrijke kartonnen prenten met een velcro kleefstrip aan de achterkant. Zo leerde ik over de toverkunsten van Christus, over hoe hij vissen kon doen vermeenigvuldigen en van die dingen. Ik zat altijd te popelen om zelf een tafereeltje op het bord te kleven. Het wegnemen van een apostel bijvoorbeeld maakte een heel schoon geluid. Zuster Emma werd snel zenuwachtig als dat opkleven een beetje stuntelig gebeurde, en ja, ik had in die tijd al last van mijn motorische afwijking en toen ik de ongelovige Thomas tegen de vloertegels liet vallen was mijn beurt voorbij. Ik trippelde ontgoocheld naar mijn schoolbankje dat gepositioneerd was achter de lessenaar van Pietertje. Pietertje had die dag een roze hemdje aan met een bruin-beige geruit shortje. Ik weet het nog goed. Pietertje stak zijn vingertje op en zei dat hij kaka moest doen. Zuster Emma zei: “Pietertje wees nu eens flink en wacht tot het speeltijd is.” En Pietertje knikte.

Na nog een bijbels tafereel geassisteerd door een kleuter die ik me niet meer voor de geest kan halen, vroeg zuster Emma of Pietertje naar het velcrobord wou komen. Pietertje begon te huilen. En ik zag plots de kaka langs zijn benen druipen. Zuster Emma’s hoofd werd zo rood als een tomaat, een tomaat die weldra zou ontploffen. Ze werd heel boos en spekelde in het rond tijdens haar verbale uitval. Ze was helemaal niet voorbereid op dergelijk ongemak. Ze wist begod niet hoe ze het moest aanpakken, kon zich met moeite vooroverbuigen om Pietertje te helpen bij het uitdoen van zijn besmeurde broek. Maar het is uiteindelijk gelukt en Pietertje kreeg een blauw broekje aan, moest zelf zijn biologisch afbreekbare troep gaan begraven onder de spar op de speelplaats onder de toeziende ogen van de andere eendjes. Zijn vuile bruin-beige shortje kreeg hij in een plastic zak mee naar huis.

Pietertje was mijn buurjongen en zo kwam het dat ik die avond na schooltijd op de zwarte skaien achterbank zat van de rode Peugeot, met naast mij Pietertje en zijn stinkend zakje en vooraan mevrouw Buurvrouw die de hele tijd zegde: “Pietertje toch, dat was niet flink!” Uren na het voorval zat het jongentje daar nog steeds met gezwollen ogen van het huilen. En in de auto rook het een beetje naar stront. Ik voelde me een flinke grote meid, maar had desondanks hardverscheurende compassie met het onflinke Pietertje.

Papa en Praag

Papa zou met zijn studenten naar Praag gaan. Papa zou meer dan een week weggaan, en dit meisje was triest want papa was – en is nog steeds- haar grote vriend. Papa probeerde haar te troosten en zei: “ik zal je een mooi geschenk meebrengen.” En dit meisje was niet meer triest, ze vroeg: “papa wanneer vertrek je nu?”

Ze keek hoe mama zijn valies pakte, zo’n praktische dingen deed papa immers beter niet zelf. Mama deed dat met heel veel liefde. Ze stak in iedere onderbroek een briefje met een boodschap. Ik vroeg mama wat ze op die briefjes schreef. “Nog een keer slapen mijn koene ridder en dan kom je naar huis”, stond er op het papiertje dat ze vastmaakte in de voorlaatste onderbroek van de stapel. Ik maakte me daaromtrent ongerust want wist dat papa die onderbroeken niet in de juiste volgorde zou aantrekken. Papa was een sloddervos en zou zijn valies gewoon uitkieperen op de vloer van zijn hotelkamer en lukraak kiezen, dag na dag.

Papa vertrok met zijn valies vol briefjes waar hij geen weet van had en sindsdien stond ik iedere dag op met de gedachte: “Zou papa het juiste briefje vinden vandaag?” En ook wel: “Nog een nacht minder en dan komen papa en zijn geschenk terug.”

Ik droomde zelfs van zijn thuiskomst en het gekke was: ik wist dat ik droomde. Kent u dat gevoel? Ik had dat wel meer als kind en voelde me soms oppermachtig om die dromen te sturen. Met zuster Emma heb ik op die wijze wrede dingen uitgehaald. Maar bij de droom over papa en de pop was het anders. Ik wist: ik moet die pop heel goed vasthouden anders is ze weg als ik wakker word. Ik heb ze haast platgenepen, vastgebonden aan mijn lijf. En toch. De volgende ochtend werd ik wakker op de grond met in mijn armen het gordijn.

De volgende nacht was het anders. Toen kwam papa echt thuis en heeft hij me uit een droom gerukt. Hij zat op mijn bed met een schoendoos. In die doos een pop. Geen speelpop maar zo een broos en breekbaar geval in traditionele klederdracht. Ik vond het een rare pop, helemaal niet zoals de mooie pop waarover ik had gedroomd. Maar ik heb ze nog steeds. Met een gedeukt hoofd en een been en een arm minder ligt ze in de grote kist vol dingen die ik nooit weggooien zal. Die kist zit ook vol geheimen en is vergrendeld met een slot waarvan ik de sleutel verloren ben. De kist staat in de garage bij ma en pa. Ik zal ze pas opendoen als ik een eenzame oude dag haal. Ik zal dingen tegenkomen waarvan ik niet meer zal begrijpen wat ze willen zeggen. Maar bij de pop zal ik weten: papa was mijn grote vriend.

Sarnie en Thomas

Thomas is nog steeds mijn grote broer maar Sarnie is al lang dood. Sarnie was zijn tamme kauw, een zwarte kraaiachtige vogel. Pepe Maldegem had hem uit het nest in zijn schouw geritst toen Sarnie net uit een ei gekropen was. Pepe Maldegem deed altijd van die gekke dingen en pepe Maldegem zag er komiek uit met zijn kale hoofd. Een gladde ronde bol want al zijn haartjes waren uitgevallen de week nadat zijn moeder gestorven was. We moesten altijd op zijn schoot gaan zitten zodat hij onze hand kon nemen om samen over zijn knikker te strelen. Dat was een heel raar gevoel want de hand van pepe Maldegem was ook niet helemaal normaal, hij miste een vinger of twee en een andere was helemaal misvormd omdat hij in de oorlog met zijn hand onder een trein was terechtgekomen.

In ieder geval, Thomas was gek op zijn vogel en Sarnie was gek op mijn broer. Met liefde bracht Thomas het beestje groot, voederde hij het gevleugelde dier melkachtige papjes. Voerden ze conversaties in een eigen vogeltaal. Sarnie zat altijd op het stuur van mijn broers groene fiets en samen reden ze door de bossen, of naar de slager in het dorp om 250 gram salamie en driekwart kilo gehakt. Op een avond bleven ze maar weg. Mama werd ongerust en ik ook maar mijn broertje Simon was nog te jong om te beseffen dat er misschien iets mis was. Toen het bijna donker was kwamen ze toch aangereden. Sarnie maakte vreemde geluiden en Thomas deed heel raar. Ik riep: “Mama! Mama! Ze zijn terug!” en vroeg aan Thomas waar ze zo lang hadden gezeten. “Ik weet het niet”, zei mijn broer en toen viel hij in het gras en staarde naar de hemel en Sarnie maakte nog steeds rare geluiden. “Mama! Mama! Thomas doet raar!” En mama kwam naar buitengerend en zag dat er iets goed mis was. Ze zag ook dat zijn lijf vol schrammen stond en ze vroeg ook wat er was gebeurd. “Ik weet het niet”, bleef Thomas herhalen. “Heeft Mike je pijn gedaan?” vroeg ik. “ik weet het niet,” zei hij.

We hebben het nooit geweten maar Thomas heeft een week in een donkere kamer gelegen met een hersenschudding. Sarnie was triest en zat een hele week trouw voor het verduisterde raam.

Sarnie kon niet praten maar is altijd de enige gebleven die geweten heeft wat er die avond is gebeurd.

Poppengezever

Posted in Uncategorized by singajo on vrijdag, 9 mei, 2008

“Amai, gij zijt ook wel nen bruinen.”

“En uw tieten zijn wel extreem wit.”

“Ik kom uit de noordzee, vandaar.”

“Helemaal naar hier gezommen?”

“Neen, overgevlogen. En gij?”

“Oh, ik woonde vroeger vijf huizen verder. Bij een stel Chinezen.”

 “Ze heeft u dus ook gekocht?”

“Ja, ze houdt van plastiek.”

“Mijn haar is wel echt hoor.”

“En het mijne niet misschien?!? Vertel eens, hoeveel heeft ze voor u betaald?”

“Gij zijt dus echt wel nen typischen Singaporees! Is mijn kostprijs het enige wat je interesseert? Waarom vraag je niet: ‘waar heeft ze zo een prachtige parel op de kop getikt?’”

“Op de kop getikt? Parel?”

“Ah laat maar. Wij zijn duidelijk van een andere cultuur.”

“Wil jij dan niet weten hoeveel ik waard ben?”

“Neen ik wil liever weten waarom je zo lacht.”

“En ik vroeg me net af waarom jij daar met zo een pretentieuze air zit.”

“Pretentieus?! Mijn moeder heeft me geleerd dat ik mijn rug recht moet houden. Rug recht en borsten vooruit.”

 “Zeg, heb jij het ook zo warm?”

“Ik puf me te pletter. Indien ik m’n staart zou kunnen afdoen, deed ik het meteen. Maar je hebt nog steeds niet gezegd waarom je zo staat te lachen.”

“Wil je dat echt weten?”

“Ja.”

“Met mijn maat. Zie je hem staan?”

Waar??”

“Daar, bij die groene helm.”

 

 “Wat voor een kop trekt die zeg!”

“Hij is kwaad. Hij moet me een fles.”

“Waarom?”

“Omwille van jou. Ik had hem gezegd: wedden dat die griet met haar neptieten tegen mij begint te kletsen als ik naast haar ga staan. Hahaha.”

“Ah man! scheer je weg!”

Tagged with:

Xiaohei

Posted in Uncategorized by singajo on dinsdag, 6 mei, 2008

Om de hoek, in Race Course Road, is er een een heel kneuterig kruidenierswinkeltje. Nogal groezelig. Je moet er soms over Indische constructionworkers stappen die liggen te pitten in het portaal.

De kassier is een geblokte geelhuid die teveel aan bodybuilding doet, zijn nek is even breed als zijn hoofd en zijn armen: bovenmaats gespierd. Hij pronkt er graag mee, draagt altijd singlets.

Op de vervallen comptoir met versleten kassa staat zijn degelijke pc. Hij zit er doorgaans met een hand loomgeweg op te tokkelen terwijl zijn andere hand de een of andere kat aait die meekijkt naar het scherm. Vandaag een zwart geval zonder staart. Ik legde de zak suiker en doos melk op de plank en  aaide de poes die meteen begon te miaauwen. De geblokte kerel keek naar mij en sprak. Dat doet hij anders nooit. 

She ate my little bild”, zei hij verbauwereerd.

Ik glimlachtte. Doe ik wel vaker als ik geen jota versta van wat men mij zegt. Maar hij bleef het herhalen. “She ate my little bild”.

En hij keek opeens heel triest, die anders zo stoere jongen.

Hij wees naar de lege vogelkooi.

“Oooh, I see”, stammelde ik.

She had his head in her mouth this molning.”

Zijn ogen spraken oorlog toen hij Xiaohei aankeek. Xia-o-hei. “It means: small black”, zei hij.

“But you still like Small Black?”, probeerde ik onze eerste conversatie te rekken.

“She’s my favoulite. I have eight cats. But she is the sweetest.”

We keken beiden naar het beest. Ik met een goedkeurende blik, bewonderend ook wel omdat het een typisch valse kat was, die daar goedzakkerig braaf op de contoir lag te ronken terwijl ze iets heel gemeens had gedaan. Maar wel iets typisch kats. Katten horen toch te jagen? En als ze vangen: chapeau! Hoed af. De jongen leek zich ondertussen voor te stellen hoe zijn vogeltje lag te weken in Small Black’s maag. Heel even maar, want plots begon Xiaohei hevig te schudden met haar lijfje. Kokhalzen. En toen lag het natte halfverteerde kopje van ‘little bild” tussen de handgeschreven facturen en andere briefwisseling. “Your little bird!”, riep ik bijna enthousiast. Xiaohei sprong naar beneden, wilde waarschijnlijk even doorspoelen met een slokje water. 

“My little bild’, fluisterde  de jongen. Hij  verpakte zijn hand in een rode plastic zak en veegde zo de bloederige massa samen. Vijf tellen later lag little bild in de vuilbak. “Xia-o-hei” riep de jongen met ongeruste stem terwijl hij zoekend in het rond keek. Al snel stond de ranke zwarte rond zijn been te flemen.

De jongen nam de kat op. “Are you allright sweety?” En de kat ronkte.

She’s my favoulite,” zei hij.

 

Tagged with: , ,

Indonesisch wascowoordenboek – les 22

Posted in Indonesisch wascowoordenboek by singajo on maandag, 5 mei, 2008

Knallende liefde

Posted in Uncategorized by singajo on zaterdag, 3 mei, 2008

Het was liefde op het eerste gezicht. De lumedyne, een lekker ouderwets-gezellig flashtoestel, en ik waren onafscheidelijke gezellen. De zwarte bak met eenvoudigwerkende knoppen, een witte en een rode,  zwarte kruldraden en een antiek uitziende lamp hing steevast rond mijn nek met een zwart-rode riem, als een soort sjakosj bijna. Het geluid dat de lumedyne produceerde telkens hij flashte, deed denken aan oude films. Het toestel  zag er haast prehistorisch uit, uit het tijdperk dat de fotografie net uitgevonden was. Tijdens de hoogdagen van onze relatzie was ik zowaar een wandelend flashtoestel, een levende robot die meticuleus ging staan waar mijn fotograaf het wou en geconcentreerd mikte op het target. De Lumedyne liet me nooit in de steek, gaf licht op aanvraag en was zo trouw als een hond.

Altijd al, heb ik een voorliefde gehad voor van die onnieuwe dingen, van toestellen die eenvoudig werken. Met knoppen waar je nog werkelijk op moet duw-en. Dat zal ook wel aan mijn niet-op- electronica-ingesteld brein liggen. Ik ben bang van electronica. We hebben hier dan wel vernuftige nieuwerwetse studioflashen in huis en ik ben ondertussen in staat om ze correct te bedienen maar van liefde is er absoluut geen sprake. Integendeel.  Te veel knoppen, teveel geluid, teveel mogelijkheden en submogelijkheden. Teveel  kansen dat het mis kan gaan. Dat die toestellen tilt slaan. Zeker als ze in de buurt komen van ambulances met brandende zwaailichten en loeiende sirines. Die “mono bloc flashen” vangen de signalen van de zwaailichten op en beginnen dan plots en ongevraagd te werken en door te slaan tot ze rijp zijn voor de vuilbak. Hetzelfde effect hebben de rijdende kuiskarretjes van de luchthaven. In Changi Airport verplaatst het sanitair personeel zich van het ene toilet naar het andere op een soortement van mini-tractor met borstels en dweilen en een zwaailicht ook. De hel voor supersonische studioflashen. Hun dood zeg maar, als je niet tijdig op de  ‘power-off’-knop drukt als er zo een rijdend gevaarte nadert. En dan heb ik me nog niet beklaagd over de ‘stroom’ die studioflashen nodig hebben (zucht). Het is altijd een gesleur met ellenlange in de knoop geraakte verlengdraden waar een mens zoals ik al eens over struikelt in zijn zoektocht naar een onvindbaar ‘power point’. Zelfs hier geen graspleinen met stopkontakten in de aarde. Bovendien wegen die flashen een ton en moeten ze op een statief geplaatst worden en zijn ze niet handig te vervoeren op onze groene, ouderwetse vespa. De lumedyne wel. Als we door de stad crosten op weg naar een shoot, de camera op de schoot van m’n lief en de lumedyne rond m’n nek, dan voelde ik me dikwijls een reporter uit de Tweede Wereldoorlog, rijdend in een verkeerd tijdperk, met al die blitze toestanden langs de weg en ook al waren we op weg om een tai tai te fotograferen.

Maar gisteren is het mis gegaan. Is de liefde letterlijk opgebrand. We waren bedrijvig met een architectuursshoot. Toen ik op een grillige muur richtte en mijn lief een beeld schoot, ontplofte het ding in mijn armen, ik kan u zeggen: dat gaf nogal een knal. Na de knal volgde nog een knal. En toen werd mijn lief boos. Dat het mijn schuld was.  Dat ik onze ‘lume’ niet goed geconnecteerd had. Hij was helemaal over zijn toeren. Eerlijk gezegd, ik ook, stond daar met bibberende benen en een tijdbom rond m’n nek. En toen begon de lumedyne weer te knallen en toen werd ik bang en wierp ik hem van me af en hij kalde opnieuw en opniew en opnieuw en luider en heftiger en toen kwamen er vlammen uit zijn zwarte lijf en nog wat stervenskreten en toen was het gedaan. De lumidyme was dood. En mijn onvoorwaardelijke liefde ook. Ik weigerde een groet te brengen aan het lijk, dacht dat er nog stuipen zouden volgen, zoals bij een kip die zonder kop begint rond te spurten na de slachting.

Mijn lief, die gefascineerd naar de explosieve ondergang van het stuk antiek had staan kijken, begreep plotsklaps dat het niets met verkeerde connectatie te maken had en kuste me. 

Ouderdom. Op een dag gaat iedereen er aan kapot.      

Tagged with: , ,